Noord-Afrika                           September 2003       

 

Marokko ...

Een Baobab-rondreis langsheen het beste uit Europa, Afrika en het Midden-Oosten

van 30 augustus tot 20 september 2003

 

 

Op reis ...

 

Dag 1. De week voordien was omslachtig geworden: 'Waar is mijn paspoort gebleven?' Niet op bureau, niet in de kluis, niet in de kast, niet in de rugzak... waarschijnlijk in de prullenbak. Eigenlijk waren de voorschriften voor Marokko niet eensluidend, maar het was toch best om na aangifte van verlies bij de politie via een snelprocedure nog een nieuw paspoort aan te vragen. We hadden een nachtje op Schiphol gelogeerd, want op zaterdagmorgen vertrok het vliegtuig op een onmenselijk vroeg uur. Het was 04u00 toen de wekker afliep en een goed koude douche moest helpen bij het ontwaken. Vanuit het Sheraton-hotel was het gelukkig maar enkele stappen gaan tot in de vertrekhal... je kon er zo de roltrap nemen. Een ontbijt van €20 leek ons wat te chique, maar de avond voordien hadden we al uitgezocht dat het Délifrance-hoekje gans de nacht geopend was. We kregen er een blik fruitsap, een kop koffie en een croissant, enkel boter was er nog niet op dit ochtendlijke uur. Aan de Lufthansa-balie mochten we de vliegtickets afhalen en toen ik aankwam stond een deel van de groep er al verzameld, zodat we gezamenlijk konden inchecken. Ook de reisleidster slenterde hier ergens rond... zou het die zijn? Neen, toch maar die... of die? De spanning moest er echter nog inblijven tot in Casablanca. En de reis begon meteen voorspoedig toen we aan gate B11 stonden te wachten op het vliegtuig. De vlucht naar Frankfurt was met een half uur vertraagd, want er was bagage in het ruim aangetroffen van een persoon die niet als passagier ingeschreven was, zo vertelde de piloot ons. Uiteindelijk stegen we op om 07u35 en meteen kregen we enkele sandwiches met 'käse oder fleisch' in een Lufthansa-zakje. Na de landing duurde het even vooraleer de piloot een vrije poort had gevonden, maar we hadden alle tijd in Frankfurt. De aansluitende vlucht naar Casablanca vertrok immers pas om 12u10 en we wisten reeds dat we - na nog maar eens een paspoortcontrole - bij gate B44 (toevallig aan de andere kant van de luchthaven) moesten zijn. We konden ondertussen even beginnen gokken wie er mee zou gaan met de Baobab-groep: de ene zat te lezen, de andere zat te slapen, ... en ik kreeg zin in een koffietje. Ondertussen telde ik nog maar tien medereizigers, ik raakte er maar niet aan uit wie de anderen toch zouden zijn. Eindelijk schoten de vliegtuigmotoren na een lichte computerpanne in gang en vlogen we in 3u30 naar Casablanca alover Genève, Lyon, Madrid, Zaragoza en het zicht op de rots van Gibraltar: Europa lag achter ons, Afrika was dichtbij. Een visfilet en appelgebakje later vlogen we boven de Marokaanse kustlijn. Hier waren de wolken opgetrokken en zagen we het dorre land met zijn vele lichtbruine zandwegen en enkele schaarse riviertjes. "Fasten your seatbelts and sit down, this is realy dangerous!" De stewardess probeerde ons enthousiasme meteen in te perken toen we met schudden en beven de landing inzetten. Het was hier twee uren vroeger (Marokkanen nemen de zomertijd niet in rekening) dan thuis. We kwamen binnen in een klein, maar uiterst efficiënt luchthaventje toen enkele streng ogende patrouilles ons de weg wezen. De paspoorten werden snel  gecheckt en we een stempel kregen om het land in te komen. Eindelijk waren ze daar... Fieke 'de akela' en haar volledige groep: Marjanne en Egbert, Frank en Gonnie, Albert en Liesbeth, Berdjan en Liesbeth, Maud, Diane, Tine, Yolanda en Pieter. Met z'n dertienen moesten we alweer namen beginnen onthouden, maar na drie weken zou dit wel moeten lukken en dan vergeet ik nog... Mustapha, onze buschauffeur die buiten zat te wachten!

 

Na het wisselen van Euro's in dirhams (de koers was eenvoudig, want 10 DH = 1 EUR) en het opslaan van de eerste liters water hadden we al een busrit voor de boeg tot in Meknes, zo'n 200 km verderop. Het landschap was dor en met steenslag bezaaid, de spoorweg lag er verlaten bij, hier en daar stond een huis verspreid, ezels sjokten voorbij, een politieman probeerde het verkeer te regelen bij de uitgang van de kashba, kinderen speel-den op het vuilnisbelt, zou dit het beeld van de komende weken worden? Neen, vol enthousiasme begon Fieke ons meteen over Marokko en de tradities te vertellen toen de enorme ster in de voorruit haar ineens opviel. Er lag een artikel op het dashbord die waarschuwde voor het fotograferen in dit land, want hierdoor kon het leven van een moslimvrouw verknald worden (of van een voorruit, zoals de vorige groep ondervond). De islam kent immers een verbod op het afbeelden van mensen, en dan zeker van vrouwen, en indien deze regel overtreden wordt of een man in de media of in kranten merkt dat zijn vrouw gefotografeerd werd, kan dit leiden tot eeuwige scheidingen of de dood. Evenwijdig met de kustlijn reden we langs de tolautostrade (die Franse invloeden toch...) via Rabat, waar onze chauffeur een afrit gemist had en blijkbaar het noorden kwijt was. We keerden, verlieten de autostrade en vroegen nogmaals de juiste weg... had toevallig iemand een kaart bij de hand? Mustapha koos een geïmproviseerde, maar mooie kaarsrechte weg tussen desolate bossen van kurk-eiken, waarvan de onderste schorsen afgesneden waren en lagen te drogen. In de volgende stad werden we opnieuw op de juiste weg geholpen (tot bij het volgende kruispunt althans), al hadden we eerder het gevoel dat we hier wat toertjes aan het draaien waren tot we de autostrade naar Meknes opreden (waren we hier al niet eerder gepasseerd?).

 

De avond begon te vallen over het zacht glooiende landschap terwijl de herders hun schapen en koeien bijeen dreven. In de verte staken de grijze bergen nog amper af tegen de schemering van de lucht en al was het nog maar 20u, we reden in het pikdonker de laatste 20 km tot in Meknes. Nochtans was het nog immens druk in de stad. Horden Marokkanen flaneerden onder de platanen langsheen de boulevards en de pleinen die met fonteinen versierd waren en auto's toeterden voorbij. Het leven leek er 's avonds pas echt op gang gekomen te zijn. Enkel de mannelijke Marokkanen zaten op de terrassen en volgden met interesse de 'vreemde groep' die passeerde. We logeerden in hotel 'Majestic' in de Avenue Mohammed V (iedere stad had wel één of meerdere van die straten, samen met die van zijn vader Hassan II die in 1991 overleden was). Ons hotel ligt in de 'nieuwe' stad die in 1912 door de Fransen is gesticht, de hamriya, en door een rommelige rivier Wadi Boufekrane van de medina is gescheiden. Bij het inchecken moesten we nog maar eens een toeristenvisum invullen en nadien ging de groep nog iets eten... maar snel slapengaan deed evenveel deugd na een lange dag.      

 

 

Meknès ...

 

Dag 2. 's Morgens werden we gewekt door het 'getoeter' van de moskee. Het was nog maar 05u00 en we hadden nog wel de tijd om ons even om te draaien in bed. Pas rond 09u00 namen we het ontbijt met zoete broodjes en confituur (het deed wat Frans aan) in het rijkelijk met houtsnijwerk versierde Marokkaanse interieur. We maakten de nodige afspraken omtrent de groepspot (en het gemeen-schappelijke avondmaal, zodat niemand dit nog mist...) en trokken daarna met z'n zevenen te voet de oude stad in, met een oponthoud: plots was de kamersleutel van Albert en Liesbeth zoek... zo maak je geen vrienden, Pieter!

 

Als vijfde stad in Marokko is Meknes de stad van sultan Moulay Ismaïl, die hier in de 17° eeuw aankwam. Voorheen behoorde de stad tot de Almoraviden, de Meriniden en de Saadiërs en stond ze in de schaduw van rivaal Fez. Ismaïl was van Alaouitische afkomst. Binnen de 25 km lange, drievoudige, eentonige omwallings-muren rezen 30 koninklijke paleizen, 20 poorten, moskeeën en tuinen uit de grond en verklaren zo de bijnaam 'Het Versailles van Marokko'. Om het bouwprogramma te verwezenlijken werden de ruïnes van Volubilis en paleizen in Marrakech geplunderd. We lopen meteen tot aan het centrale plein, de Place-el-Hedim, wat 'plein der verwoesting' betekent. Ismaïl liet hier immers alle puin van de vroegere kasba storten voor de verwezen-lijking van zijn dromen. Het zicht op het plein werd echter ontsierd door de vele auto's, taxi's en paarden-koetsen die er in het midden geparkeerd staan, terwijl bussen er hun vieze rook achterlaten. Aan de zijkant gaan we langsheen de pottenbakkersgalerij en slaan we links een steegje in naar de overdekte verse markt. Meteen worden we er ondergedompeld in een mix van geurige en kleurige specerijen, hoog opgestapelde torens olijven, glimmende citroenen en allerlei zoetigheden... althans totdat de geur overslaat naar die van stinkende schapen en levende kippen. Op die manier lopen we sneller dan gedacht opnieuw tot bij de uitgang om naar wat zuivere lucht te happen, de vers geurende munt deed hier al beter. Na wat ronddraaien vonden we vlakbij de Bab Mansour el-Aleuj (hoe kun je ernaast kijken: 16 m hoog en 8 m breed, maar toch moesten we het voor alle zekerheid vragen...), die eigenlijk pas door Ismaïls zoon werd voltooid als imposante toegangspoort tot de luxueuze wijk van Moulay Ismaïl. Handelaren met dikke gebreide mutsen hadden hier hun kraampje opgezet.

 

We komen zo in de soeks van de medina waar stalletjes met huishoudwaren en kledij buitenstonden. Het was zondag, maar hier heerste een gezellige drukte, want voor moslims is de vrijdag de heilige dag en pas in de namiddag wordt het leven hier dan wat rustiger. Meteen gebeurde al een opstootje toen twee jongeren elkaar in de haren vlogen en door enkele mannen uiteen gedreven werden. In alle drukte raakten we elkaar kwijt en wandelden we alsmaar rechtdoor met de rugzak stevig op de buik gebonden. Op het einde van de medina - hier stond alweer een moskee - werden vers fruit en groenten door lokale landbouwers verkocht en overgoot men de grote sardines rijkelijk met fris water. We werden de weg in de medina gewezen, waar de meeste ambachten (schoenenlappers, ijzerhandelaars en houtbewerkers) in duistere werkplaatsjes gevestigd waren. Het was er een stuk rustiger in de wirwar van nauwe straatjes en we moesten in ons beste Frans (ook al werden we meteen in het Arabisch aangesproken door een man die het niet zo op de Fransen gemunt had, zo verstonden we aan zijn gebaren te zien...) meermaals de weg vragen naar de grote moskee, die midden in de oude stad stond. Al toerden we verschillende malen voorbij hetzelfde punt, we vonden uiteindelijk toch de Medresse Bou Inania (1355) die hier verscholen lag. Dit was de koranschool die bij de moskee hoorde. De moskee is niet toegankelijk voor niet-moslims (al konden we door de openstaande deur wel even gluren), de koranschool mochten we wel bezoeken voor 10 DH. De muren van de binnenplaats (de sahn) zijn rijkelijk versierd met zellij-tegels, mozaïeken, koranteksten en bewerkt stukhout. Aan een uiteinde lag de gebedszaal (de mihrab), terwijl in het midden de gebruikelijke fontein voor rituele wassingen staat (al lijkt die meer op een mossel). Rondom zijn de vroegere kamers (eerder cellen) van de studenten op de bovenverdieping die tot 1964 nog bewoond waren. Vanop het dakterras verpoosden we nabij de groen betegelde minaret van de Grote Moskee. Nadien loodste Egbert ons als bij wonder opnieuw tot op het plein. Enkele van de huizen hadden hier in grote vakken de nummers 1 tot 26 op de gevel geschilderd voor aanplakbrieven van de komende verkie-zingen, zou later blijken. 

 

Onderweg naar de Koningsstad, of de Kasba van Ismaïl, passeerden we de Place Allaoui en werden we vriendelijk in het Frans uitgenodigd om het zicht over de stad van op een dakterras te bewonderen. We kregen er nogmaals de ganse geschiedenis van Meknes uitgelegd met zijn twee verdedigingsmuren, maar nu mocht de aandacht niet verslappen! Pas daarna stelde de man zich voor als een écht artiest en zou hij thee voor ons zetten (en naar het schijnt mag je dat hier niet weigeren): over de middag waren de belangrijkste musea van de stad immers gesloten en zouden we ons maar lopen te vervelen... We daalden een verdieping in het huis en kwamen in het atelier waar de man figuurtjes ontwierp uit ijzer en zilverdraad; ze waren enkel in Meknes, Damascus en Carrera te vinden. Het ijzer werd ruw geslagen, geblauwd en met een fijn hamertje beslagen met zilverdraad (goud was in strijd met de religie) en daarna in cokes gebakken. 't Was in ieder geval veel mooier dan de voorwerpen uit Essaouirra die hij ook staan had, zo beweerde hij. We daalden opnieuw een verdieping in het huis en kwamen in het theesalon, en de show kon beginnen: tapijten in alle soorten, kleuren, maten en motieven werden uitgerold. Nadien mocht ieder kiezen welk matje het lelijkste was (die werden alvast terug opgeborgen) of welk het mooist was (die werden alvast voor je voeten gelegd). Toen het onderhandelen begon, zette Egbert zijn bril op en haalde Maud haar talenten boven. 700 DH 'for two' bleven we te veel vinden en we maakten aanstalten om het af te trappen. Het lukte maar niet, want 'de artiest' hield ons alsmaar aan het lijntje en leerde ondertussen ons wat Arabisch en zijn medewerkers wat Engels. Uiteindelijk betaalden we 200 DH voor het 'mooiste' tapijtje en mochten we gaan... we hadden het gevoel dat we losgeld betaald hadden.

 

Ondertussen waren de musea wel weer open en gingen we eindelijk doorheen de stadspoort naar de Koningsstad. De lange rechte weg met zijn hoge lichtbruine muren en kromme lantaarns aan weerszijden was broeiend heet en had net de sfeer van 1001 nacht, maar dan met enkele extra figuranten... want daar kwamen Gonnie en Frank in een kermiskoets voorbijgereden. We liepen een flink stuk (de sultan had het inderdaad wel echt groots opgevat met een oppervlakte vijf keer zo groot als de medina...) tot bij de camping waar vast een restaurant met wat versnaperingen zou zijn. We vonden er enkel wat cola te drinken op het harde beton in de schaduw (Amstel en Heineken vind je overal in Marokko, behalve hier waar we er zo op gehoopt hadden...), maar gelukkig had Diana nog wat van het brood overgehouden. Een Nederlander met zijn zwager kwam hier toevallig langs toen hij net feest had gevierd in een huis met wel vier verdiepingen van onder tot boven betegeld. Vlakbij lag de Dar-el-Ma. De gids nam Maud prompt onder de arm (en wij erachter) en doorkruiste in snelpas de graanopslagplaats en de koninklijke stallen voor de 10.000 paarden. De voorste ruimtes voor graanopslag waren na een 'ertwieblung' overeind gebleven en boden met hun watermolen en hun muren van 4 m dik en een hoogte van 12 m een natuurlijke airco en een sprookjesachtige lichtinval. Het werd dan ook reeds als decor gebruikt voor The last temptation of Christ. Het dak van de stallingen in het achterste gedeelte was wel ingestort, maar tussen de kolommen hadden we een mooi 'trisymmetrisch' perspectief. Dat was eigenlijk alles wat de gids te vertellen had, ware het niet dat we hem toch enkele dirhams moesten geven om opnieuw Maud uit zijn greep te bevrijden. 

 

Om de hoek lag het reusachtige Aguedal-bassin (4 ha) dat via ondergrondse kanalen van 20km met bergwater werd voorzien. Het diende als bevoorrading voor de paleizen en de tuinen in de wijk, al beweerde men ook dat de haremvrouwen er pleziervaartjes op maakten. Op de terugweg naar het Mausoleum van de sultan (ook zijn vrouw en twee zonen lagen hier) ontmoetten we de andere Baobabbers, wie we geen gids meer aanraadden. De graftombe was ondertussen wel geopend en na het uittrekken van schoenen en het aantrekken van broeks-pijpen mochten we naar binnen. Enkele gele binnenplaatsjes waren volledig met mozaïeken bezet en gaven een wat desolate indruk, maar het was er een oase van rust (en geurende zwetersvoeten) op de rieten matjes in de gebedshal, waar we even konden bijkomen van het stappen terwijl we languit met de rug tegen de muur zaten en het kabbelende fonteintje (rituele wassing) bekeken. Van hieruit zagen we de grafkamer achter de met houtsnijwerk versierde deur en tussen de doorgezakte lantaarn. 

 

Aan de andere kant van de Bab-el-Filala liepen we voor 10 DH (plus fooi) nog binnen in het 'Huis van de Ambassadeurs', een monument dat door UNESCO gerestaureerd was als eerbetoon voor de vele slaven die in de kelders hieronder gevangen zaten, al werd dit hier later de plaats waar de sultans hun buitenlandse gasten ontvingen. Piraten en criminelen werden door Moulay Ismaïl verzameld of verhandeld met Europa om te helpen aan de bouw van de stad. Ze sliepen hier enkele uren per dag of werden voor eeuwig met z'n vieren rond een pijler gebonden (de smeedijzeren ringen lagen er nog... luguber!). De kelder had slechts twee uitgangen: ééntje naar het justitiepaleis (waar nu het mausoleum staat) en ééntje naar de bouwwerf van paleizen en stadsmuren. De slaven zagen dus weinig daglicht, en de gids troostte ons dat de luchtgaten voor de toeristen later aan de kelders werden toegevoegd. Voor de aanvoer van marmer uit Volubilis werd een onder-grondse tunnel gegraven van 11 km of werd handel gedreven met Carrera in ruil voor suiker.

 

We hadden de stad nu toch wel gezien en hielden een 'petit taxi' aan (ze waren hier lichtblauw) om terug naar het hotel te rijden. Vóór het instappen deed je er goed aan om eerst wat te onderhandelen over de prijs, want de Marokkanen weten ook wie de toeristen zijn... alhoewel bij het einde van de rit de teller op 805 stond, rekende de chauffeur 10 DH aan voor ons drieën, maar dit was enkel iets voor de Marokkanen zo vertelde hij in gebrekkig Frans toen ik naar zijn teller wees! 's Avonds had Fieke twee tafels voor de ganse groep (nu wel...) gereserveerd in een Riad met een briljante binnenplaats vol cactussen. We proefden onze eerste couscous met kip en gestoomde wortel, courgette en aardappel. Vanavond werd er echter geen alcohol geserveerd, want we zaten in de medina. Wanneer Marokko in 1956 onafhankelijk werd, werd drank in de medina verboden. Toen de drie kopjes muntthee werden uitgeschonken lag veruit de helft van de groep in slaap (zij zaten dan ook zachter in die kussens), totdat er plots reactie kwam van Diana... blijkbaar toch nog één iemand die wakker schoot na die drukke dag en afdrukte om op de kwisvraag te antwoorden.  

 

 

 

 

Moulay Idriss en Volubilis...

 

Dag 3. We reden vandaag van Meknes naar Chefchaouen. We verlieten het centrum en op het Marokkaanse platteland werd het meteen wat rustiger. De vlakte rond Meknes, gelegen in het Zerhoun gebergte, is één van de vruchtbaarste landbouwgebieden die vroeger als de graanschuur van Marokko fungeerde. Nu waren er nog groene strepen in het landschap te herkennen, profiteer ervan! De zon stond hoog en blakerde over de uitgestrekte velden die met olijfbomen begroeid waren (ze werden er in de Romeinse tijd reeds verbouwd). Het was maar een korte rit tot we aankwamen in Moulay Idriss. En we werden er verwacht, want de gids zwaaide ons reeds toe bij het parkeren van de bus. Meteen stond een horde kinderen en ezels rond de bus verzameld om wat mee te graaien.

 

Moulay Idriss is wellicht de heiligste stad van Marokko, het Mekka van de armen. Zeven bezoeken aan deze stad zijn evenwaardig met de tocht naar Mekka (de 'hadj'). Jaarlijks is er een week feest in de stad wanneer duizenden pelgrims op bedevaart gaan naar de moussem van Moulay Idriss. Als niet-moslim is het nu nog steeds niet mogelijk in het dorp te overnachten. Alles draait hier om de zaouia, het Graf van Idriss I (+791), die op de vlucht was voor de kalief van Bagdad en hier zijn onderkomen had gevonden. Hij was de nakomeling van Ali, de schoonzoon van de profeet Mohammed en stichter van de eerste Arabisch-islamitische dynastie. 

 

De gids loodste ons mee naar de bovenstad van het dorp, dat op twee heuvelruggen is gebouwd. De nauwe straatjes waren wit geschilderd (of wat ooit wit geweest was) en lagen er rustig bij, afgezien van de enkele muildieren en spelende kinderen. De huisdeuren hadden twee klinken, één voor familie en één voor vrienden. Aan de klank kon men horen wie aanklopte (tiens, het huis verder had slechts één klepel, waren er geen vrienden meer?). Verschillende gezinnen brachten hun brooddeeg naar de bakker en kwamen de broden enkele uren later terug ophalen. Een bakker was hier bakker in de letterlijke zin van het woord. Wij proefden er alvast enkele koekjes die men verkocht. Vele handwerkers zaten er kledij te naaien: de djellaba's en de kaftans, terwijl de garens doorheen enkele haken langs de muur getwijnd werden. De ronde minaret van de Sentissi-moskee met zijn groene faiencetegels draagt hiërogliefen en koranverzen, waarvan we enkel de jaartallen 1358 en 1939 konden ontcijferen. Zijn cylindervorm is uniek voor de Maghreb. Vanop het uitzicht-terras hadden we uitzicht op het Mausoleum van Idriss I in de benedenstad. Boven op het groene dak staan drie zilveren bollen als symbool voor de islam, het christendom en het jodendom. Als moslim gelooft men in alle profeten, dus ook in Christus, maar voor hen is hij niet de zoon van God. Naast de gebedsruimte en de koranschool (of het dak ervan althans), zagen we ook de vleugel van de ruimte waar de besnijdenis plaats-vindt. Voor moslims gebeurt dit in het eerste of tweede levensjaar, voor joden in de eerste maanden na de geboorte. Vele ouders wensten uiteraard dat dit ritueel hier gebeurde. We mochten uiteraard de moskee niet binnen als 'non-muselman' en zagen enkel de toegangspoort. Dit werd al snel duidelijk aan de dikke houten balk nabij de ingang (... of diende dit om de ezels tegen te houden?). Vóór het heiligdom konden we ons uiteraard te goed doen aan giften en zoete noga, en hadden we des te meer tijd (dit was nodig gezien het lange wachten) om op een terrasje een vers vruchtensap te bestellen. En ondertussen kwam er van alles voorbij... gelieve de camera stiekem in aanslag te houden! Op de markt (en achtervolgd door ambetante meelopertjes) kochten we nog wat fruit en keurden het verschil tussen 'rode' en 'groene' cactus.

 

Het was maar 15 minuten rijden tot in Volubilis aan de andere kant van de vallei, een Romeinse stad met een  bloemennaam. Ongewild voelden we ons plots in Toscane... cipressen, zachtglooiende tarwevelden en blakende hitte! De stad zou reeds in het Neolithicum bewoond zijn, maar kende zijn bloeitijd als hoofdstad van de Romeinse provincie Mauretania Tingitana. Wat wil je nog meer met zo'n prachtige ligging! De plaats is vooral bekend omwille van zijn chique villa's (het Huis van Orpheus) met mozaïeken, vestibules, peristiliums, tricliniums, borstbeelden,... Sommigen werden met een aquaduct van water bevoorraad of bezaten thermen, wat een luxe! Er stonden reconstructies van maar liefst 35 oliepersen, die eraan herinnerden waaruit de stad haar rijkdom haalde. De pulp van gemalen olijven werd in rieten manden gedaan en onder druk gezet, waarna de olie in een zuiveringsbassin aan de buitenkant van het huis opgevangen werd; de betere kwaliteit kwam daarna boven drijven. Het meest in het oog springend waren echter het capitool en de (gerestaureerde) basilica het forum, met zijn vier rijen Corinthische zuilen die nog overeind stonden... nu de ideale broedplaats voor ooievaars. Centraal in de stad lag de Triomfboog van Caracalla aan het begin van de hoofdstraat, de Decumanus Maximus, die naar de andere kant van de stad leidde; het leek ons toch wat ver tot bij de andere toegangspoort, al was het indrukwekkend hoe de straat aan weerszijden met zuilen was gemarkeerd! Na ons bezoek hadden we nog één iets nodig: een stoel, schaduw en wat drank. De sandwiches met kip en olijven die we voorheen besteld hadden, smaakten al heerlijk toen Tine als laatste aankwam, maar ze had blijkbaar 'fantastisch genoten'... dat we dit moment nog mogen meemaken!

 

We hadden nog 120 km te rijden tot in Chefchaouen. Het landschap met geelbruine, uitgestrekte vlaktes, hier en daar een woeste berg, olijfbomen, lage palmen en cactussen hield eindeloos aan en het graan was pas van de velden gemaaid en opgeslagen in lemen 'huisjes'. De kuddes geiten en koeien ontvluchtten ternauwernood de straat en ezels werden met een tik van de stok naar de rand van de weg gedreven. We passeerden af en toe onafgewerkte betonnen nederzettingen (die hier de naam van gemeente kregen) en zo ging het maar eindeloos door... wat slapen was hier wel OK! We schoten opnieuw wakker toen Fieke de koffiestop in Ouezzane (alweer zo'n 'heilig' plaatsje) aankondigde en we een vers appelsap met melk of een panaché (banaan/appelsien) konden drinken. Wat 'fris' water was een aangename afwisseling met de ondertussen lauwe fles in de rugzak. Naarmate we onze eindbestemming naderden kwamen we in het Rifgebergte, dat groener een Spaanser was. Het noordelijke deel van Marokko stond immers onder Spaans gezag (we passeerden de vroegere grenspost tussen Frans en Spaans gebied, al was niemand in een foto geïnteresseerd) en werd opmerkelijk strenger gecontroleerd door politiepatrouilles in een stoere Mitsubishi pick-up (al had dit met iets anders te maken dat er eigenlijk ook weer niet was...).

 

 

Chefchaouen ...

 

Dag 4. We waren gelogeerd in hotel Madrid en 's morgens kregen we aan de lage salontafeltjes in beschilderd Marokkaans houtsnijwerk een uitgebreid Frans ontbijtbuffet. Ook bij onze aankomst gisteren werden we hier  meteen verwelkomd met koekjes en thee terwijl Fieke de kamers regelde. En we konden enkele stevige stok-broodjes verdragen, want om 8u30 kwam de gids ons ophalen voor een dagwandeling. Fieke had ons gisteren reeds de richting gewezen die we uitmoesten, en dat beloofde...  

 

Het Andalusische karakter van het dorpje 'tussen de twee hoornen' met zijn wit en koel blauw gekalkte huizen (... zelfs de vrouwen droegen witte gewaden, met daarover een rode lap gestreepte stof) leverde tal van schilderachtige plaatsjes. Het waren de joden die hadden ontdekt dat de blauwe kleur muggen afweerde. Bij de poort gingen we de medina in en wandelden we de smal geplaveide straatjes op en neer, de muren van de huizen stulpten uit. Het was er immens rustig... enkel op de open pleintjes zaten wat kinderen rondom de fontein te spelen en nabij een poort verderop poseerde een vrouwtje voor de foto (1 dirham, please!). Gelukkig was er hier al een winkeltje open, want we moesten nog inkopen doen voor de pick-nick: het brood, de 'vache qui rit', de tonijn in tomatensaus, het water en de yoplait werden meteen over de rugzakken verdeeld (we kochten de ganse drankvoorraad op, maar kregen geen ezeltje mee...). Ondertussen kwam een groep van vier Engelse jongeren zich bij ons aansluiten. Bienvenidos!

 

De medina was een wirwar van geplaveide steegjes, maar we hadden de indruk dat slechts één weg de goede was: altijd omhoog, totdat we bij de watermolen arriveerden die voor de bevoorrading van bloem zorgde. De molenaar kwam ons met een zijn wandelstok achterna gesukkeld en opende de deur. Met een simpele draai aan het 'houten plankje' liet hij het licht branden. Het verharde pad liep verder langs het beekje omhoog tot bij de vrouwenwasplaats. De tapijten lagen er te drogen over de rand van het muurtje, vanwaar we wat stonden te gluren, maar fotografen werden hier niet geduld. Voor enkele dirhams kregen we er wel vers geplukte vijgen van de vrouwtjes aan de kant. We dachten het steilste stuk te hebben gehad, maar het pittigste stuk aan het begin van de wandeling moest nog komen... het keipad stak steil omhoog langsheen ruwe rotswanden en voerde tot bij de ruines van een moskee. Van bovenop de toren was het uitzicht op het dorp, de rotswanden en de velden in de verte adembenemend. Een rustpauze in de schaduw hadden we toch wel al verdiend, zeker? En het bleef maar stijgen toen we langsheen de marihuanavelden in het 'Kif'-gebergte (plantages die er eigenlijk niet waren maar toch mochten gefotografeerd worden) passeerden. De marihuana lag al grotendeels te drogen op de weiden en de daken. Drugs? Het is niet eh... legaal, maar het is min of meer niet-illegaal. Even ruiken aan de stengels gaf ons wel opnieuw de kracht om in dubbele versnelling de heuvels op te gaan. Ondertussen had onze gids cactusvruchten geplukt en droeg hij ze met de bladeren op een stok gespiesd nog enkele kilometers met zich mee. Nabij de bergpas kwamen we eens volk tegen: jonge meisjes met hun hoge, strooien hoeden waren met de geitenkuddes tot hier getrokken en zaten er in het gras. Het was er dan ook zalig... we pelden de cactusvruchten en een gaatje in een rubberen leiding voorzag ons van water. De Engelsen besloten nog verder te klimmen, wij gingen liever dalen naar het volgende dorpje. We namen daarom een kleine zijsprong en schoven van kei tot kei langs de bedding van een bergriviertje. Onderweg werd ik nog twee tomaten in de handen geduwd (willen of niet) terwijl heel wat kinderen zich rondom ons verzameld hadden. Iedereen sprak ons hier aan met een mengelmoes van 'Hola' en 'Bonjour'. Na een lange bocht rondom de berg kwamen we eindelijk in de dennenbossen terecht en daar bij die boom zouden we lunchen. Oef, het eerste peloton was al gearriveerd, maar het tweede deel van de groep had hoognodig wat versterking. Het theedoekje werd uitgeplooid, de tonijn-in-tomatensaus kon opengedraaid worden en de tomaten versneden... en of dat smaakte! 't Was nu zo ver niet meer, werden we getroost toen de zon feller begon te branden. Nadat we uit de bossen kwamen moesten we toch wel de zonnecrème bovenhalen. Het eerste 'café' dat we passeerden was gesloten, maar toen we aanbelden deed de man vriendelijk open en in het salon met ligbanken en faiencetegeltjes kregen we een frisse cola aangeboden. Nu hadden we enkel nog de afdaling te lopen (de stenen die hier uit de grond staken, bleken een Joodse begraafplaats te zijn) en in de vroege namiddag lagen we al opnieuw op bed.

 

Op eigen gelegenheid konden we dan nog even de stad intrekken. De medina was nu volzet met stalletjes en wat deze morgen zo rustig was, was niet meer te herkennen. Op de centrale place Uta-el-Hamam  (verwijzend naar de vroegere duivensoeks) met terrassen, bomen en fonteinen heerste drukte, maar bij het rondslenteren voelde je toch maar een vreemde tussen de bedelaars die er zelfs op handen en voeten liepen. Aan de andere kant van het plein lag de moskee met haar frivole zeshoekige minaret in baksteen en pleisterwerk en de koffie-met-melk kleurige kasba in het licht van de ondergaande zon met een tuin van palmbomen en cipressen. Marokkanen spraken je hier zo maar aan en begonnen te vertellen over het onderwijs, de taal, de geschiedenis, de kleding en het linnen dat ze zelf bewerkten om je uiteindelijk te proberen mee te lokken naar hun 'handwerkerswinkeltje'... maar toen plots van onderwerp veranderd werd, voelde je toch maar in de zak gezet. En zo gebeurde het vaak in Marokko, net als hier in het Rif... ieder verhaal begon of eindigde wel met de kif, the morrocan red.

 

Vanavond aten we in Hassan II, waar we met z'n dertienen een zijvleugel van het restaurant innamen. Al moesten we de courgettensoep zelf nog op smaak brengen, de grote honger maakte veel goed. Gisterenavond hadden we beter gegeten op het dakterras van het restaurant 'Alladin' met een uitzicht over het plein. De Marokkaanse tajines met kip en citroen of pastilla's gevuld met kip en/of duif waren zeker aanraders! Als voorgerecht namen we een omelette 'espagnole' en 'française' (al is het verschil ons nog niet duidelijk) of aubergines met knoflook. Het oplepelen van de salade d'oranges met kaneel vergde echter wat meer behendigheid. Yolanda probeerde nog de thee in de glaasjes te mikken (jaja, 't was al donker) toen we de zakkende maan achter de bergen zagen verdwijnen. Mars bleef nog aan de hemel fonkelen en om 11u00 ging het licht uit... 

 

 

Chefchaouen - Fez...

 

Dag 5. We hadden een lange rit te gaan, maar net bij het verlaten van Chefchaouen hield de bus al meteen halt. Het Rifgebergte is rijkelijk begroeid met kurkeiken, waarvan het onderste deel van de schors gerooid wordt en te drogen ligt. De Route du Rif, een weg die eind de jaren vijftig werd aangelegd bij de aftocht van de Spanjaarden, slingerde zich naar boven door een steeds ruiger wordend berglandschap dat begroeid was met bosjes ceders, sparren, steeneiken en cactussen. We kregen een weids uitzicht over de groene vallei met zijn sterk geërodeerde hellingen. De route staat bekend als één van de meest spectaculaire landschappen van Marokko langs berghellingen en -passen, maar het was ook één van de traagste omwille van de bochten, afgronden, rotsen en uitgebrokkelde asfalt... we hadden echter alle tijd! Toch bleek de maag er onder te lijden, want bij de eerste sanitaire stop nabij het muurtje moest (na perfecte timing) de overtollige lading eruit. Ik zocht dringend een verse fles Sidi-Hazarem en een natte handdoek in de nek voor het vervolg van de rit moest erger voorkomen (althans tijdelijk, want plots dook ik opnieuw met een zakje het bos in... we hadden echter alle tijd!).

 

De Riffijnen staan bekend als een woelig volk dat in opstand kwam tegen de Marokkaanse staat. De meerderheid van de gemigreerde Marokkanen naar Europa zijn in deze streek geboren. Wat aanvankelijk arbeidsmigratie was, werd later door de overheid gestimuleerde en hangt echter nauw samen met het onrustige verleden: men was de bewoners van het Rif liever kwijt dan rijk! De huidige rijkdom van de streek was zeker niet te danken aan het verbouwen van maïs. De wegen van en naar Ketama staan erom bekend dat toeristen regelmatig worden aangeklampt voor het verkopen van hasj. Al eeuwenlang wordt in de dalen van het Rif hennep verbouwd, officieel voor de farmaceutische industrie. De genezende werking van deze plant, tegen diarree en psychologische stoornissen, is van Marokko tot Kasjmir bekend, maar verreweg de grootste hoeveelheid wordt hier uiteraard als drug met Europa verhandeld. Al gelden er strenge wetten, toch wordt het hier oogluikend toegestaan, want welk alternatief heeft de overheid voor de streek te bieden? Op het terrasje in het centrum zijn de 'snoepjes' vrij te verkrijgen, en begint Frank prompt te onderhandelen voor een prijs... uiteindelijk besluit hij toch om het maar bij een kopje muntthee te houden. Na een geurig toiletbezoek doet de frisse lucht ons hier goed en in één van de stalletjes doen we de inkopen voor de pick-nick.

 

Tot de middag is het nog maar kort rijden naar het volgende dorpje, Taounate. Het schijnt te gevaarlijk te zijn om in het centrum te stoppen, maar in een buitengelegen bosje vinden we een rustige plaats voor de 'dagschotel': 1/2 brood, la vache qui rit, tonijn-in-tomatensaus en yoplait. Er loopt daar voortdurend een Marokkaantje van boom tot boom ons te bespieden, en we laten hem nog 1 DH achter... of wat wil hij eigenlijk meer? In de namiddag werd het zowaar nog heter en bleef de weg maar draaien en keren. Een stoere colonne zwarte auto's passeerde onder politiebegeleiding... en Mustapha had hem herkend: het was de koning Mohammed VI op doortocht. Dit was het enige merkwaardige om opnieuw even wakker te schieten van een diepe slaap. Het was nog een ganse tijd te gaan langs de Route de l'Unité die de weg van de oude karavanen naar Fez volgt, en kort na het verdrijven van de Spaanse bezetters vormde het één van de eerste noord-zuid (lees: Spaans-Franse) verbindingen doorheen het Rif. Onderweg stopten we nog even in een stofferig wijkje om met een nasnas wat bij te komen op een terrasje (al stonk het er enorm naar benzinedampen) en om de schoenen voor een poetsbeurt aan te bieden. Het landschap veranderde geleidelijk aan in verdroogd steppe-gebied met aan de horizon enkele koele grijze silhouetten met zwarte rookpluimen in de lucht. Ze kondigden de komst van Fez aan. We kregen nog een portie Marokkaanse geschiedenis met zijn verschillende berber-dynastieën en het Franse protectoraat in de maag gesplitst, die kortstondig werd onderbroken toen we de ramen moesten sluiten bij de 'openbare stortplaats'. Via de ringweg en de indrukwekkende stadsmuren kwamen we in het dichtbevolkte centrum, en zoals overal moesten we opnieuw in de Franse stad logeren. Bij het uitstappen op het pleintje werd je door de lucht bevangen en moesten we nog een eindje lopen naar het hotel 'Olympic'. We zochten er snel de airco-knop in het hotelkamer (al kwamen ze aan de receptie eerst opnieuw met die toeristenvisa zwaaien... ) en konden recht tegenover nog een broodje kopen. Liever geen al te lastige avond, want 't was bedtijd om 20u30 met morgen een stadsverkenning voor de boeg...  

 

 

 

Fez...

 

Dag 6. De dag begon al goed met een telefoontje van de gids vanuit een of andere taxi dat hij vast geraakt was in het centrum, toen we met z'n allen al in de bus zaten te wachten. De ober van het hotel had zich nu zo in het zweet gewerkt om ons allen op tijd te bedienen met croissants, chocoladekoeken, jus d'orange en koffie... Inshallah! Maar bij zijn aankomst konden we het de gids, Abdellah, onmiddellijk vergeven. Hij sprak vloeiend Engels en bleek hier een universitaire opleiding te hebben genoten. We reden meteen de Franse stad uit en ganse dag zouden we met hem rondtrekken door één van de meest fascinerende en oudste koningssteden van Marokko. Ready, go!

 

De stad bestond uit twee gedeeltes, de koningsstad Fes el Jedid en het oude stadscentrum Fes el Bali, met daartussen de Andalusische wijk. 's Morgens begonnen we de tocht in Fes el Jedid ('Nieuw Fes' of 'Wit Fes') nabij het Dar-el-Makhzen, het koninklijke paleis. De wijk was volledig ommuurd en tot 1912 het politieke en militaire centrum van de stad, dat zelf nog onderverdeeld was in subwijken (lees: doolhoven van smalle straatjes): een gids was dus aangewezen! We hadden nog maar net een voet uit de bus gezet, en daar waren ze al... bedelaars staken ons meteen wat zichtkaarten onder de neus en vroegen er een ontelbaar aantal dirhams voor. Het mannetje bleef ons maar lastigvallen met zijn mooie postkaarten en kon zo nodig zelfs drie straten verderop geld gaan wisselen, zodat je er uiteindelijk toch best aan toegeeft. Vanop de Place des Alaouites hadden we zicht op de imposante hoofdingang met een schitterende Moorse poort, die rijkelijk in brons gegraveerd waren, maar altijd gesloten bleef. Ja, je zou de zware kloppers zelfs niet op en neer kúnnen bewegen! Dit was het hoofdverblijf van de sultan (in 1250 riepen de Meriniden Fez uit tot hoofdstad) en nu het verblijf van de koning als hij in de stad is. We wandelden vlakbij de Joodse wijk in, de mellah, waar tegenwoordig veel moslims wonen. De heersers van Fez hadden zich voorgenomen de joden te beschermen, in ruil voor een jaarlijkse heffing. Deze wijk was de eerste Joodse enclave in Marokko en zag er dan ook eeuwen oud uit en nimmer gerestaureerd. De huizen vertonen nog resten van gele afgebladerde verf en sierlijk houtsnijwerk, karakteristiek voor de Joodse architectuur in Fez. De gevels met hun houten balkons rijzen hier hoog de lucht in rondom een binnenplaats en staan opeen gepakt (misschien is dit wel nodig om scheefhangende gevels te ondersteunen?), want de grenzen van de joodse wijk werden pas later getrokken zodat de ruimte eigenlijk te beperkt is. Tussenin was ergens de Synagoge geperst (17° e) die door een Andalusische familie gesticht werd. De gids draaide er de gordijnen voor de relikwieën weg en liet ons afdalen in de waterput waar men vóór het huwelijk een drietal keer moest ingedompeld worden. Het loonde de moeite om van op het terras de mellah te overzien met de witte graven op de begraafplaats in de diepte en de ontelbare tv-antennes tegen de helblauwe lucht. Het was er nog rustig, want enkel langs de centrale rechte as waren er enkele winkels gelegen in de vroegere werkplaatsen van Joodse goudsmeden en juweliers. In de smalle donkere steegjes rondom lagen nu grote balen wol te wachten op verwerking.

 

Onderweg naar de pottenbakkersplaats net buiten het centrum stopten we nog even bij een uitkijkpunt en begonnen we de boekjes te geloven: de oude medina van Fes was de grootste van alle Maghreb-landen en telde wel vijftig moskeeën, omsloten door een bergdal. Naast het keramiek was Fez ook beroemd om zijn lederhuiden, die uitgestrekt nabij de ingang van de pottenbakkersplaats lagen te zonnen. Binnen zagen we het draaien, drogen, verven en bakken van allerlei vormen pannetjes en kommetjes. Op de centrale binnenplaats stonden alle figuren dan netjes te drogen ('t was inderdaad wel warm genoeg)... al lukten enkele toeristen toch om er hun voetafdruk na te laten. Bij het schilderen in de kleine stofferige lokaaltjes zat telkens een ontwerper met zijn leerlingen die de potjes inkleurden of signeerden. Het was de oven die bij het bakken zo'n zwarte rookpluimen gaf, telkens hij met een nieuwe zak zaagmeel werd gevuld om de temperatuur constant te houden. Nadien zagen we hoe de tegels tot mozaïekvormpjes werden gehamerd en zelfs kleine jongens zaten mee te werken. Als vanzelf werden we de winkel ingeleid en hadden we keuze uit grote, ronde, vierkante, platte en ovalen tajines, fonteinen, dienbladen, asbakjes en vaasjes in het traditionele blauw-wit (net Delfts!) of gekleurd... maar 'for you from Holland -30%' en automatisch kwamen we van de eerste in de tweede winkel.

 

Eindelijk werden we afgezet bij een groentenmarkt en trokken we de medina in van Fes-el-Bali (de oude stad), een wirwar van steegjes dat ons terugvoert naar de middeleeuwen. Het werd duidelijk waarom we een gids betaald hadden, want hier verdwaal je binnen de kortste keren en kom je op plekjes die je anders nooit zou gevonden hebben. Duizenden mensen wonen, winkelen, bidden en doen hier zaken zonder ooit de medina te moeten verlaten. De straten zijn hier smal en hoewel alle gemotoriseerd verkeer verboden is, moet je uitkijken dat je niet tegen de muur geperst wordt door een paard, een dromedaris of een overbelast muildier. Balek, balek... ! Maar een verkeersopstopping door een ezel die zijn lading matrassen of munt verloren is, kan in Fes echter een genot zijn omwille van de kakafonie van geuren, kleuren, geluiden en plaatsjes met Moorse bouwwerken. Onze eerste passen doorheen de Slagerssteeg waren echter minder sprookjesachtig toen we zagen hoe kippen achter de toonbank de kop werd omgewrongen en varkensingewanden lagen tentoon gespreid. Toen Diana deel ging uitmaken van het decor was het even schrikken toen een haan haar in de armen kwam vliegen. De handel is open en alom aanwezig, want allerlei oude ambachten zijn hier dagelijks werk: leerlooiers, wolververs, pottenbakkers, koperslagers en meubelmakers lijken hier al duizend jaar te functioneren. Iedereen is druk bezig en de geuren van verse munt slaan plots om, want elke gilde kondigt zichzelf aan met een duidelijke geur van verf, leer, cederhout of snoep in de Nogastraat. Het zwarte water van de looierijen stroomt rijkelijk over de kasseien van de Rue des Teinturiers en de rook van de baden komt zo naar buiten. De huiden hangen aan de muren te drogen. We komen langs steegjes vol open stalletjes waar het geluid van de metaalbewerkers opklinkt. De herrie is oorverdovend en verkwikkend en door de rook van de vuren zie je jonge mannen met baarden het koper en messing kloppen, smeden en vormen tot gebruiks-voorwerpen, kommen en dienbladen... we waren in de koperslagersoeks. Verderop in de straat zitten een jongen en een oude man met een bril met een dikke montuur gebogen over een lage tafel de puntige leren slippers te stikken en weer iets verder draait een man stoelpoten langs een spoel. Hij gebruikt één voet om hem aan te drijven en de andere om de beitel te sturen die hij tussen zijn tenen heeft.   

 

Het huiselijke leven is hier discreet en zit verborgen achter dikke houten deuren. Af en toe kloppen we aan en stappen we er zo één binnen. De entree verraadt niets, een discrete deur geeft toegang tot een gangetje, die toegang geeft tot een volgend plaatsje met vaag licht en dan... steeds krijgen we statige herenhuizen te zien met hun betegelde binnenplaatsen die omzoomd zijn door houten stucwerk en een centrale fontein, de restauraties van de meters hoge kamers met zijn raamkozijnen en houten plafonds en het uitzicht over de daken van Fez met de wapperende was en lachende kinderen. Even verheven we ons boven het soeksgeluid, en het leek alsof een deel van het stadsleven zich hier in de hoogte afspeelde. In de medina lagen een vijftigtal moskeën verborgen die ieder op geregelde tijdstippen hun gezang lieten horen. Nadat de oproep voor het gebed vanaf de hoofdminaret gezongen was, nam elke wijkmoskee het op zijn eigen toonhoogte over, nu eens ver weg dan weer dichtbij tot er een golf van vervormde aansporingen over de stad weerhalmt. Vijf keer per dag roept de moëdzzin op tot gebed. De Karaouïne-moskee was één der oudste van de Islamitische wereld en is nog steeds de zetel van de islamitische universiteit. Wij konden er enkel vanaf de toegangspoort binnen-gluren (dit was al een voorrecht...) en zagen de druk bevolkte fontein voor de rituele wassingen. Bij elke moskee hoorde een medersa die volledig met zellij-werk betegeld was. We stapten wel een klein en donker deurtje binnen en namen plaats op de achterste rij zitbanken van een koranschooltje, en dreunden de woorden mee die de lerares ons aanleerde: voor zover we het verstonden waren we van tachtig tot vijfentachtig aan het tellen. Het enthousiasme van de kleuters dreunde meters ver. Eén van de bekendste pleintjes verscholen midden de medina was dat van el-Seffarine met de El-Neijarine fontein aan de rand van de zaouia (dat was alweer een heilige plaats) en de bibliotheek. In de naastliggende soeks werd druk gewerkt aan zilveren en gouden ornamenten en zetels, die als bruidsschat dienden en gebruikt (geleend?) werden voor het huwelijk. 

 

We wringen ons over een smal trapje naar boven, bedekt met afgesleten rood tapijt en komen in een winkel vol lederwaren. We gaan door nog kleinere, bijna claustrofobische kamertjes tot we ineens zomaar aan de achterkant van het gebouw zijn en het licht op een groot terras valt. Onder ons ligt een honingraat van een honderdtal vaten met felgkleurde vloeistof, van sneeuwwit tot grijs, melkachtig bruin en lichtroze tot granaat-rood, metaalblauw en safraangeel. Het zijn perfect bewaarde Middeleeuwse verfbaden. Rondom liggen huiden in bizarre vormen op de daken te drogen. Het water uit de rivier Fez wordt door een groot rad over de vaten verdeeld, waarin ververs de zware combinatie van water, huiden en verf mengen met voeten en benen. Ze hebben geen bescherming tegen de zon en 's zomers kan de temperatuur hier boven 50°C uitlopen. Al was de zurige stank (combinatie van schapenurine en duivenpoep?) erger om aan te wennen. 600 jaar geleden telde Fez 200 van dergelijke ververijen, waar de huiden worden onthaard, gereinigd en geverfd. In de winkel werd het leder nu wel duur verkocht voor pantoffels of handtassen, maar ruilhandel met een pakje cigaretten bleef altijd een lucratief alternatief!

 

't Was ondertussen al 15u00 geworden en het volgende deurtje dat we openden moest vast een restaurant zijn, inderdaad! In één van de salons konden we met zijn allen aanzitten of -liggen en kregen we een traditionele Salade Maroccaine voorgeschoteld, een variëteit van koude schoteltjes van kikkererwten tot avocadopuré en bonenmoes, al waren nadien de pastilla's die we uit Chefchaouen gewend waren wel beter! In de namiddag moesten we enkel nog uit dit doolhof zien te geraken, want we waren nu toch wel even het noorden kwijt. Abdellah nam ons nog mee naar de centrale winkelstraten, waar je alles kon vinden van opgestapelde thee-potjes tot tupperware, munt en stapels zoetigheden. Het meest zie je echter torenshoge opstapelingen van naaigarens in alle kleuren. De straten krijgen hier een rieten dak en elk van de winkeltjes zit verborgen achter twee donkerbruine houten klapdeuren, waarin amper plaats was om een stoel te zetten. Iedereen doet er inkopen en als mikpunt in de massa hebben we steeds Egbert die er met kop en schouder boven uitsteekt. We zijn weinig enthousiast over het bezoek van een tapijtenweverij, maar moesten willens nillens nogmaals 'de rituelen' aanhoren, al zat er niets bij naar onze smaak. Beter was het toen we een duistere en stofferige traditionele weverij binnengingen, waar het geklater van de spoelen, de inslag- en de scheringdraden om ter snelst gebeurde. De werknemers die met beiden voeten ritmisch op de twee plankjes lopen, werden hier betaald aan de lopende meter en nauwlettend door de schorpioenen begluurd. De sjaals vlogen hier à volonté rond ons hoofd (letterlijk dan!). Ons laatste punt was een apothekersbezoek, waar we een 'Berberbehandeling' zouden krijgen. We snoven allerhande specerijen van 45-kruiden over 43-kruiden tot 5-kruiden mengsels, zwarte blaadjes tegen het snurken, rozencrèmes, maquillage-stiften en oliën. Alles werd met zo'n elegance gepresenteerd, dat Berbers je gemakkelijk een cursus showtechnieken konden verkopen.

 

In de vooravond begon het te donkeren en niemand had er nog puf in. Gelukkig begon het steegje te stijgen naar de poort aan de uitgang van de medina, waar Mustapha ons stond op te wachten. We reden langsheen de verlichte Oosterse stadsmuren, en het waren die muren die de moderne wereld op een afstand hadden gehouden. Want in Fez is er maar één tijdperk en één stijl: die van gisteren. Een wonder had plaatsgevonden, de tijd was even teruggedraaid...

Fez - Midelt...

 

Dag 7.  Er waren problemen met Tine's paspoort: men had het visanummer in het hotel niet kunnen lezen en Fieke moest nog het een en ander controleren... Iedereen was ondertussen al in de bus verzameld, maar ramen en deuren bleven gesloten tot Tine binnenstapte en we luidkeels begonnen te zingen: 'Er is er één jarig hoera, hoera!' Wat fantastisch dat de ballonnen en slingers om haar stoel hingen. Mustapha had het ondertussen moeilijk met het buitenrijden van Fez. Overal waren wegeniswerken (waren er aankomende verkiezingen?) aan de gang en moesten we meerdere malen omrijden, stoppen, de weg vragen en opnieuw vertrekken. Toch verdween de brede lach niet van Mustaphas gezicht, zodat zelfs de strengst ogende politiepatrouille ons onderweg onverwijld liet passeren.

 

We volgden de weg naar Imouzzer du Kandar, uitkijkend op de vlakte van de Saïs. Dat was de Midden-Atlas, het land van Berberstammen, eenzame ceders en stille meren, waar de bossen plaats gemaakt hebben voor kale vulkanische plateau's. In het westen gaat de Midden-Atlas over in de Hoge-Atlas en ten zuiden daarvan ligt de Anti-Atlas. Het gebergte is ontstaan door botsing tussen de Noordelijke en Zuidelijke aardplaat
-Marokko ligt op een breuklijn- in dezelfde periode van de Europese gebergten. De half-nomaden die hier nog leven, trekken 's zomers met hun kuddes van geiten en schapen de bergen in (in het zuiden vindt men eerder de 'kameelaftrekkende' nomaden), terwijl ze in de winter naar de dorpen in de vallei terugkeren om er handel te drijven van hun gemaakte stoffen en de kinderen naar school te sturen. We stopten in Ifrane of zijn we plots in een mondain wintersportoord temidden de Franse Alpen gearriveerd? De gele huisjes met spitse rode daken, de campings, chalets, sportcentra en een source Vittel waren er allemaal op voorzien. Zo passeerden we meerdere van die Frans aandoende dorpjes met hun platanendreven en groende besproeide (jawel!) gras-velden die tijdens het protectoraat gesticht werden. Door de hoge ligging (1650 m) was het hier wat koeler en ook netter, of was dit omdat de koning hier één van zijn 57 paleizen had staan? De soeks-sfeer uit Fez was ver weg en in alle rust werden we getrakteerd op een gebakje van Tine en konden cadeautjes gewisseld worden... zelfs Mustapha begint te likkebaarden in de patisserie.

 

In Azrou zijn de velden dor, bruin en kaal met enkel wat lage begroeiing tussen rotsblokken. Het is enkel een knooppunt op de route van Fez/Meknes naar Marrakech en de hoofdplaats van een Berberstam die hoogpolige schapenwollen tapijten produceert in typisch rode kleur. Verder buiten de stad wordt het opnieuw wat groener rondom het de 'dayet' Aguelmane Sidi Ali. Het is een meer van 3 km lang op een hoogte van 2000 m, een ideale plaats voor de pick-nick. Slechts enkelen waagden zich aan een wandeling rondom het water (dat nu overigens laag stond wegens de uitzonderlijk aanhoudende droogte), want het zonnige weer dreigde snel om te slaan in regen. Toen Tine half uitgelekt opnieuw de bus instapte konden we haar toch troosten met een nieuwe zangstonde. We werden nadien ontvangen in een nomadentent voor een thee à la menthe ('Berber whiskey') die door de familie werd gezet: grootvader, vader, twee zonen, twee zussen pasten op de geiten, terwijl moeder op stap was. De rust in de tent en het onbezorgde nomadenbestaan werd echter onderbroken door het GSM-gepiep tijdens het inschenken van de thee.

 

's Namiddags hield het woeste steenlandschap nog enige tijd aan (Zaïda), en verbaasde het ons wat die kuddes gieten en hun herders hier allen te zoeken hadden tussen de keien. We reden doorheen enkele kloven en de Zad-pas (2178 m) als hoogste punt van de route kondigde de weidse vlakte aan die we nu voor ons hadden. Bij het naderen van Midelt stak hier en daar een tafelberg boven het steengruis uit, terwijl de hoogste bergruggen zich wazig aan de horizon aftekenden. In de namiddag steekt hier altijd een sterke mist op. Zelfs aan de kant van dit verlaten stuk weg vlogen twee Marokkanen zich nog in de haren toen hun paarden verkeerd geparkeerd stonden (althans dat verstonden we ervan). De twee ja-knikkers en een oude kasba aan de kant van de weg waren de voorbode van het centrum. Zij herinnerden aan de vroegere welvaart van de streek met zijn zilver- en loodmijnen. Bij het binnenrijden werd onze bus met argusogen gevolgd, zodat bij aankomst aan het hotel Ayachi éénieder al op de hoogte was en de souvenirjagers met edelstenen uit de 'oude mijnen' ons om de oren vlogen. 'Alles goed?', hadden ze nauwgelet uit het hoofd geleerd.  

 

Na het lossen van de bagage moesten we nog samen met Fieke inkopen doen voor de lunch van morgen. In het kraampje op de overdekte versmarkt (dat was veruit het enige wat de voormalige mijnwerkersstad te bieden had, nu was het enkel de uitvalsbasis voor trektochten in de streek) werden de beste tomaten en komkommers voor ons uitgekozen, en deze van de buurman waren zelfs nog beter! We hadden veel bekijks in het dorp waar nauwelijks een andere toerist te vinden was. Voor morgenavond moesten we ook nog een restaurant gaan reserveren en we werden er met z'n drieën hartelijk onthaald in het salon. De tafel werd meteen gedekt en naast de thee kwamen ook nog allerhande koekjes en verse beignets op tafel. Het Arabische gesprek met de vrouw schoot minder goed op, maar enkele minuten later stapte gelukkig de kok binnen. Hij was Fransman en kon ons wel een uurtje onderhouden. Vanavond aten we in het hotel, en Mustapha kwam bijzitten aan de kop van de tafel. Het werd een gezellige avond met bord Harira-soep (dat is de maaltijd van de ramadan, die eigenlijk even voedzaam als een volledige maaltijd), tajines en... vanavond was er wijn uit Meknès! Dat deed de patron blijkbaar geen deugd, want dronken verliet hij de zaal.

 

 

 

 

Cirque du Jaffar ...

 

Dag 8. 't Was 7u45 en iedereen was op post voor het ontbijt. Enkel de hoteleigenaar was nog niet uitgeslapen van gisterenavond, terwijl hij verzekerd had dat je normaal vanaf 7u00 kon eten. De tafels werden in snel tempo gedekt, borden met broodjes, chocoladekoeken, confituur en boter vlogen erbij en het fruitsapje kwam een kwartiertje later. Ondertussen was Mustapha al in sportuitrusting binnengekomen toen de volledige maaltijd op tafel verschenen was. Hij zou mee gaan wandelen!

 

We verdeelden de pick-nick over de rugzakken en werden opgewacht door de chauffeurs van twee mini-busjes. We stopten nog even in het dorp voor vers stokbrood en verlaten Midelt via dezelfde weg van gisteren. Een tiental kilometer verder verlaten we de hoofdweg en rijden we naar Out Benhadir. De onverharde weg voelt al minder comfortabel en het wordt ons stilaan duidelijk waarom we niet met de gewone bus hier geraakten. De stofwolken van onze voorgangers waaien hoog op van het steenslag baantje (of wat er eentje leek te zijn). En wat waren we opgewekt vandaag, het leek wat avontuurlijk te worden: de beste Nederlandse Schlagers van Marco Borsato en André Hazes weerklonken van op de achterbank en werden beantwoord met de Vlaamse Eddy Wally op de voorbank. Enkele lemen rivieroases stonden hier volkomen afgezonderd van de rest van de wereld. De dikke muren werden met dwarsbalken gestut en hadden weinig vensters om de zomerse warmte en winterse koude buiten te houden. Vele kinderen kwamen er naar buiten lopen en zwaaiend probeerden ze enkele meters met de busjes mee te lopen. Nadat we de laatste dorpjes gepasseerd waren, reden we een piste op die recht naar het gebergte toe liep. Voor ons lag de machtige Jbel Ayachi. Dat was de overgang tussen de Midden-Atlas (aan onze voeten) en de Hoge-Atlas (aan de overkant). We werden aan 25 km/h hevig dooreen geschud (mogen de twee handjes op de voorruit ons voorspoed brengen) tot bij een eerste tussenstop, waar we uitzagen over de droogliggende vallei en een adelaarszicht hadden op de uitkragende rotspunten. Het enige wat hier staat is helmgras voor schapen en linnenproductie.    

 

Dit jaar heerste er een uitzonderlijke droogte. Op deze hoogte groeit gewoonlijk graan en is het land met  keien tussen de andere stenen 'afgebakend' in privé-percelen. De enkele schapen die er rondliepen snuisterden wat verdroogde strohalmen. De streek rond Midelt was vooral gekend voor het kweken van appels (op de hotelkamer lag zelfs appelzeep...). De vele lage appelaars stonden hier onbeschermd en los verspreid in het steengruis en moesten met het busje voortdurend worden omzeild als de geïmproviseerde weg al eens omgelegd was voor een geërodeerde strook. Erosie? Ja, 't schijnt dat het hier niet prettig is als het begint te regenen, maar het zal ons een zorg zijn! Wat verderop stappen we uit en slaan we de deur dicht met geknelde vingers ertussen (zie je wel dat je je door de chauffeur moet laten bedienen!). Meteen hadden we een adembenemend zicht op de kloof met bizarre rotsformaties en een steile afdaling voor de kuiten. In de vallei stroomt normaal 's winters een serieuze stroom wanneer smeltwater naar beneden komt. Nabij de brede ingang van de kloof werden de rotswanden alsmaar spectaculairder met hier en daar een plukje groen. Het pad lag breed met keien en opengereten aardekluiten bezaaid te baden in de zon. Het pad was kurkdroog maar draagt nog de sporen van een heftige stroming. Mustapha nam het voortouw, al verkozen wij toch liever de schaduwkant van de kloof waar het enigszins mogelijk was. Na een waterstop halverwege kwam nog het meest idyllische stuk met smalle doorgangen, spelonken en afgeschoven steenmassa's, terwijl we alsmaar naar de grond staarden op zoek naar die ene fossiel, maar geluk hadden we niet... Toen we uit de strook kwamen, maakten een reeks hoge en kale bergen de streek schijnbaar onherbergzaam. En toch was er hier (nomaden)leven: in de eerste lemen hut werden we traditiegetrouw uitgenodigd voor de thee en moesten we met eerbied de schoenen uitdoen vooraleer we op een van de dekens plaats konden nemen. We leunden opeengepakt tegen de aarden muren, er was nog net plaats voor Tine, Albert en Egbert. Een smalle spleet tussen de houten dakspanten zorgde voor licht in huis, terwijl enige tijd later een driepikkeltje werd bijgeschoven. Een mand met versgebakken warm brood en olijfolie wordt bijgezet, terwijl de zieke moeder de verse theeblaadjes in het kokende water sopt. Ze maant haar dochter aan de glaasjes te vullen. Ondertussen zat vader ons maar met 'opgetrokken' oogleden aan te staren en te poseren voor de foto. Toen ik het broodkorstje op had, werd snel een nieuw afgebroken en werd het bord met olijfolie dichterbij geschoven. De theeglaasjes werden drie keer bijgevuld... de tijd stond een uurtje stil.

 

Bij het verlaten van de tent beginnen de kinderen met de ballonnen te spelen en leert vader fotograferen. De rust wordt verstoord als er plots een ganse meute jongeren op hun ezels komt aanrijden. Ze zijn lastig en eigenzinnig zo te zien aan hun veronachtzamende blik, terwijl ze de snoepzak van Diana tot op de bodem plunderen. Het wordt wat killer als vanmorgen, de zon trekt weg en net nu we het steilste stuk moeten beklimmen, voelen we regendruppels. In de verte zien we een jeep wegrijden, zodat we ons elk moesten te schuilen leggen aan de stam van één van de schaarse boompjes op de heuvelrug (... die regenjas was nog een goed idee en had toch een keer in drie weken van pas gekomen). Het zou een 'bescheiden bergje' zijn volgens de reisbeschrijving. Het pad bleef echter maar stijgen alhoewel we ons einddoel, de pas, al een tijdje voor ons hadden. Het laagste punt vandaag lag in de kloof op 1900 m, terwijl we hier al op 2300 m zaten. Er kwam gedonder in de verte. Halverwege de klim kon het ons niet meer schelen en stopten we toch voor de pick-nick. Messen en serviettes, water en yoplait, mortadella en kaas, tomaat en komkommer... het was dagelijkse kost maar vandaag was het uitzicht toch bijzonder.

 

Van op de bergpas met alweer een eenzame nomadentent, zagen we onze busjes al staan. Het uitzicht over het glooiende landschap was er hemels, al leek het gedonder nu erg dichtbij. Toch konden we op tijd instappen en over de piste terug naar Midelt rijden. De chauffeur kent gelukkig wat Frans en begint te vertellen. De halfnomaden voelen zich hier ook niet altijd gelukkig in de streek... als het oogstseizoen goed is, zijn er geen problemen, maar een tegenvaller zoals dit jaar geeft hen weinig hoop om dit bestaan verder te zetten. De laatste jaren zijn er dan ook families die de bergen verlaten en gemengde huwelijken tussen Berbers en Arabieren moeten hun toekomst verzekeren. Er lagen grote waterplassen aan de kant van de weg. Een trucker uit de tegengestelde richting wist te vertellen dat er geen blikseminslagen geweest waren en dat de rest van de appeloogst veilig was. Het gezang op de achterbank verminderde toen er een file stond op 15 km van Midelt. Te voet gaan we wat verder kijken en zien we dat een dijk gebroken is, een modderstroom overspoelde de weg. Het duurde een eindje vooraleer de doortocht wat georganiseerd werd, maar ondertussen waren we al in gesprek geraakt met een Belgische karavaan van 20 trekkers.

 

In de vooravond gingen we naar de Hammam, een openbare badplaats in Midelt. Slechts weinig huizen hebben hier een privé-badkamer, en waar zeer veel belang gehecht wordt aan de lichaamshygiëne, heeft de hammam een belangrijke plaats in het openbare leven. Ook maatschappelijk vervult de hammam een belangrijke rol, want lange tijd mochten de vrouwen enkel het huis verlaten om te gaan baden en het was daar dat ze andere vrouwen zagen. De mannen baden over het algemeen tussen 18u00 en 20u00, de vrouwen tussen 20u00 en 22u00. Vroeger werd een stad beoordeeld naar de schoonheid en de luister van haar hammam. Bij het binnengaan kregen we elk een brok zwarte zeep en de mannen gingen het kleine deurtje binnen, de vrouwen gingen het hoekje om. Elk kregen we een zwarte, aftandse emmer en een rood scheppertje toen men het deurtje naar de wasplaats opende. Er waren drie kokervormig betegelde ruimtes waarin enkel via het luchtgat in het plafond wat licht naar binnen scheen. Een tengere man met één oog (een 'beul') begeleidde ons en in de warme ruimte werden we eerst gewassen en met een ruw zwart washandje gescrubd. Daarna kregen we massage en werden we nogal hardhandig gerekt langs alle kanten... ai, oi, ei, oei, hey, je zou voor minder de ganse Hamman bijeen schreeuwen. Om opnieuw bij te komen kregen we nog wat liters koud water over het hoofd, oh! De vrouwen werden enkel gescrubd en hadden er blijkbaar meer van genoten dan wijzelf.

 

De bestelling van het avondeten was goed doorgekomen, want bij onze aankomst werden alle schotels in een recordtempo geserveerd onder het wakende oog van koning Mohammed VI, die volgens een ongeschreven wet in alle publieke plaatsen te zien was: eerst een salade maroccaine met gekookte groenten en wortel-citroen salade met daarna (ha, het staat hier al...) een couscous met 13 groenten (kikkererwten, bloemkool, courgette, wortel, aubergine,...) en kip, gevolgd door een fruitschotel. Nog een snelle krabbel in het gastenboek en de zaak werd gesloten...  

 

 

 

Midelt - Erfourd - Merzouga,

the way to desert...

 

Dag 9. Vandaag rijden we dwars door de Hoge Atlas naar het zuiden, de woestijn kwam dichterbij. Het ontbijt komt al wat vlotter aan dan gisteren, zodat we allen om 8u30 klaar zitten in de bus. Net op tijd om de Belgische karavaan, die blijkbaar net naast het hotel gecampeerd had, uit te zwaaien niettegenstaande we ze vandaag nog meer zouden tegenkomen. Al was het centrum van Midelt wat armtierig, de rijkere hotels lagen net buiten de stad als grootst nep-kasba's in de vlakte. De hellingen zijn spaarzaam begroeid met oude, verweerde thuja-bomen, jeneverbessen en alfagras die de versnelde erosie nog trotseerden. Anderzijds was in groot gekalkte rotsstenen de naam van de koning Mohammed VI op de bergwanden geschreven. Ze verwelkomden hem op zijn reis doorheen het land en de 'blijde intredes' naar aanleiding van zijn troonsbesteiging nadat zijn vader Hassan II in 1999 overleden was. 

 

Nadat we de bergpas over zijn, komen we op de schrale hoogvlakte in het marktplaatsje Rich dat boven de steenmassa uitsteekt. Het is een oude Franse garnizoenstad met alle huizen in roze tinten en gele kapitelen tegen de achtergrond van de Atlas. Er was grote bedrijvigheid in het centrum, terwijl we er op een terras zaten met de gebruikelijke nas-nas of cortado. Het was een kleurrijk zicht van oude mannen met hun steekkarren, kinderen die matrassen op een fiets meezeulden, ezels die groenten vervoerden, volgeladen camions in de hoofdstraat, mannen met hun djellaba's die in de neus staan te peuteren... kortom, het leven van elke dag.

 

We rijden verder zuidwaarts door de vallei van de Oued Ziz, een rivier die spectaculaire rotsformaties uitgesleten had, maar waarvan de bedding nu compleet droog lag. Het enkele water dat er nog stond werd gretig gebruikt door de vrouwen die er kleren zaten te wassen. De rivier ontspringt in de Hoge Atlas en stroomt in zuidelijke richting ter bevoorrading van enkele oases in de provincie Tafilalt, alvorens in het zand van de Sahara te verdwijnen. De route doorheen de kloof was een strategische doorgang van noord naar zuid met de aanleg van de Tunnel du Légionaire, die door het Franse vreemdelingenlegioen uitgehouwen werd in de kalkrotsen (1927). We reden halverwege de berghelling door canyons met getrapte rotswanden en oases in de vallei... men zou voor minder duizelig worden. Hier en daar lagen al de eerste okerkleurige ksour (versterkte lemen nederzettingen) tegen de rotsrand gebouwd met zicht op de groene, met dadelpalmen omzoomde oaseakkers in het dal. In deze streek groeien meer dan 700.000 dadelpalmen. De oogst in oktober wordt traditioneel met een feest gevierd. Van zijn 40ste tot 80ste levensjaar bereikt de dadelpalm de optimale opbrengst van wel 150 kg dadels per jaar (enkel de vrouwelijke dragen vruchten). Daarna worden de bomen geveld en als bouwmateriaal gebruikt. Overal in de rivieroasen worden de idyllische tuinen echter verstoord door zieke bomen. Watergebrek in de laatste jaren zijn hiervan de oorzaak, gezien een palm jaarlijks 6 à 8 miljoen liter per ha verlangt. Bij onze eerste stop in de vallei werden we dan ook meteen al aangevallen om trossen dadels te kopen, al wilden we eigenlijk enkel een luchtje scheppen of een cigaretje opsteken... eindelijk eens een verademing na al die schrale vlaktes. Uiteindelijk mondde de vallei uit in het stuwmeer van Hassan Addakhil. Deze dam beschermt de dorpen aan de benedenloop tegen overstromingen en regelt de bevloeiing van de oaseakkers in het van Tafilalet, althans wanneer de winterregens in het gebergte toereikend zijn geweest. Aan de rand van het meer was een elektriciteitscentrale opgericht en het water diende via ondergrondse kanalen ook als drinkwatervoorziening voor de omliggende steden en oases. De provincie-hoofdstad Errachidia was de eerste bewoonde plaats die we sinds lang tegenkwamen. Het werd oorspron-kelijk in de jaren 30 als garnizoenstad van het vreemdelingenlegioen gebouwd en het vroegere Ksar-el-Souk was een etappeplaats op weg van noord naar zuid en west naar oost. Nu is het nog steeds als bestuurlijk centrum een moderne nederzetting geworden, die eigenlijk maar één wijde hoofdstraat telt die deze naam waardig is. Net buiten het dorp parkeren we aan de kant van de weg naar Bouane onder een van de zeldzame bomen die het landschap nog sieren. Mustapha spreidt een keurig deken voor ons op de grond en haalt de lunch uit de koffer van de bus. Als dessert hebben we er vandaag nog een gele meloen bij, maar ook Mustapha past nu, terwijl hij (met de glimlach) over zijn maag wrijft. Vanaf hier leek de woestijn toch aardig dichtbij te komen als een eindeloze steenvlakte met één enkele asfaltweg er doorheen en licht golvende heuvelruggen aan de horizon. Enkel twee doelpalen op een geïmproviseerde voetbalplaats en wat electriciteitsmasten steken nog boven de vlakt uit. Net vóór Erfourd lagen al de eerste hoopjes zand en bezochten we nog een kasba. Dit waren een groep woningen die door een lemen omwalling versterkt waren. Er lag een centraal plein met een moskee, en alle huizen waren over  de straatjes in het dorp gebouwd. Zo was het er fris, kil, donker en vochtig. 't Was er aanvankelijk ook muisstil tot we er zelf doorheen passeerden en alle kinderen van het dorp spontaan naar buiten renden. Het werd een oorverdovend lawaai, dat ons opnieuw naar de uitgang dreef.

 

Bij het hotel in Erfourd konden we de koffers in een kamer stockeren, want we werden er al opgewacht door twee landrovers om ons nog een uurtje verder te rijden. We hadden nog net de tijd om de wasserette te zoeken en de inkopen te doen voor een overlevingspakket van Mariakoekjes en water, die we in de dagrugzak propten. Bij het verlaten van het centrum langs het oostelijke fort Borj Est begon meteen 'dé' steenwoestijn. Het hobbelige asfaltweggetje hield niet lang aan, want we draaiden meteen naar rechts op een woestijnpiste, die enkel aangeduid stond met enkele wit gemerkte losliggende stenen tussen de andere stenen (... al dwarsten we evenveel van die blokken als we er langs reden). Een goede gids of chauffeur was hier wel aangewezen, beter dan je te moeten oriënteren op de rij telegraafpalen. De snelheid leek er echter niet onder te lijden, want we begonnen om ter snelst te racen over de 'woestijnsneeuw', en onze chauffeur had er kennelijk zin in. Af en toe bokten we op het te krappe achterbankje even met het hoofd omhoog terwijl we ons van links naar rechts lieten meeglijden. Onderweg hadden we enkel gestopt nabij een opgraving van fossielen. In het Paleozoïcum bevond zich op deze vlakte een warme zee met koraalriffen (orthocera's en phacops) en we zagen hoe de stenen met hoornvormige schelpdieren er tegenwoordig uitgeboord werden. Ze worden zowel afzonderlijk (in ruwe steen) of gepolijst te koop aangeboden door kinderen die ons aanklampten: '5 DH Monsieur, 5 DH Monsieur, no photo!' klonk het als een hels lawaai rondom onze jeep totdat we met bruusk geweld alle ramen dichtdraaiden en verder raceten. Arbeidsplaatsen en andere verdiensten zijn er nauwelijks in deze streek, zodat de fossielenhandelaren met hun wapperende indigoblauwe tulband de toeristenbusjes vaak kilometers lang met de fiets achtervolgen. Al bij al passeerden er hier nog enkele landrovers die elk hun eigen weg over de pistes zochten of een Peugeot die zich wat verderop vastgereden had in het mulle zand. Al werkte een GSM hier perfect, toch was hij blij dat we hem terug op het juiste pad konden duwen. Af en toe lagen hier toch nog enkele eenzame woningen, zoals bij de kasbah Derkaoua (er stond hier zelfs een wegwijzer), en enkele watertorens waarop je je als bestuurder kon richten. De diepe putten hier en daar waren restanten van een onderaards irrigatiesysteem, een bewijs dat deze woestijn ooit vruchtbaar was geweest.

 

We moesten nog één heuveltje over en daar rijzen de hoge, rood oplichtende zandduinen van Erg Chebbi en het woestijndorpje Merzouga op in de verte. Het was al 17u00 en voor we verder konden, rolde de chauffeur zijn matje uit en ging hij op de knieën om te bidden... zelfs hier in niemandsland wist hij zich naar het oosten te richten. Naarmate we de duinen naderden, kwam er opnieuw wat leven met campings, een postbode op de fiets (ook verdwaald waarschijnlijk) en de Auberge Timbouctou aan de voet van de zandwoestijn. Dit was de toegangspoort tot de Sahara. Na een laatste cola in de bewoonde (voor zover of...) wereld trokken we best de lange broekspijpen aan en knoopten we de hoofddoek toe op het terras van de auberge, want daar tussen de palmbomen lagen al de veertien kamelen die we besteld hadden. We hadden plaats om de bagage op te binden (liters water en een Schweppes Citron) en zelf op het zadel te klauwteren. In één, twee, drie kwam het beest recht en vertrokken we met de avondzon naar de hoogste zandduin en legden we ons lot in de handen van onze 'blauwe Toeareg mannen' met hun tulband. Het werd twee uur afzien... de minuten aftellen... nog anderhalf uur... nog één uur... Ondertussen hadden we al ondervonden dat een kameel (... of was het een dromedaris, zijn bult(en) zaten onder de dekens rondom het zadel?) niet comfortabel zit, met zijn poten vooruit naar beneden 'glijdt' en met zijn bek soms vreemde geluiden maakt. Toch een troost dat het op zand iets beter ging dan op asfalt. Nog een half uur... de duinen werden steeds hoger (tot 250 m) en de stadslichten waren nu volledig vervaagd. We durfden stilaan genieten van de geruisloze zandzee (... althans totdat een GSM-toontje bij Maud rinkelt) met zijn immer veranderende kleureffecten in de ondergaande zon. De wind had zachte golven in de goudgele duinen getekend en de sporen van de zwarte zandloopkevers, hagedissen en vogeltjes verraadden dat hier nog leven was. Onderweg probeerden enkelen af te stappen, maar ze verzekerden ons dat het tempo in het mulle zand nauwelijks bij te houden is. Nog een kwartier... er leek maar geen einde aan te komen toen het pikdonker was geworden en enkel de maan nog wat schemerlicht gaf.

 

Eindelijk bereikten we onze kampplaats... en dit is geen fata-morgana! Er wordt meteen thee ingeschonken en weldra ligt iedereen met de voeten omhoog op de dekens rondom de palmboom. Met enkele Mariakoekjes konden we de eerste honger stillen, totdat men wat licht maakte met de lantaarns en we allen aan de lage tafeltjes konden aanschuiven voor het avondeten. We kregen een gemeenschappelijke schotel rijst en een stoofschotel van vlees en paprika die we met een vorkje wat probeerden te mengen. Het smaakte heerlijk. Nadien werd er nog wat muziek gemaakt met gitaren en tamtams en konden we de matrassen uit de tenten rollen om onder de blote hemel te slapen. Toen ik enkele uurtjes later wakker schoot van de kou en een deken over mij getrokken had, was net de ondergaande maan achter de duinenrug verdwenen... maar een diepe slaap weerhield mij van de fascinerende sterrenhemel.

 

 

 

Merzouga - Erfourd...

 

Dag 10. Vroeg in de morgen word je wakker van de warmte van de rijzende zon, stond idyllisch in de reisbrochure vermeld. In realiteit schieten we echter plots wakker van het gebrul van één van de kamelen. 't Was toch al 5u30 toen Liesbeth ons daarna iets subtieler met wat djembé-geroffel wekte. Snel zochten we onze luttele spullen bijeen en klommen we enkele meters de duinen in. We waren net op tijd toen de zon boven de horizon verscheen en met haar warmte meteen de ganse kampplaats verlichtte. De zonsopgang over de oase gebeurde in twee tellen en gaf aan het oranje zand de meest subtiele kleuren. De scherpe duinranden begonnen zich af te tekenen tegen een helblauwe lucht. Moet er nog zand zijn... ? Op aanraden van Fieke klommen we best niet met een nuchtere maag terug op de kamelen, zodat we enkele koekjes in reserve gehouden hadden voor bij het glaasje muntthee. Men pompte hier met alle gemak water uit de grond en probeerde die in de theekan te mikken. De watervoorzieningen zouden vanuit het stuwmeer bij Er-rachidia geregeld worden.

 

Enkele kamelen hadden een onrustige nacht gehad en steigerden nogal toen we opnieuw vertrokken. We moesten twee uren terugdraven tot bij de auberge. De zon gaf al meteen ferme hitte, maar ondertussen hadden we zelf toch al de meest comfortabele houding gevonden en lieten we ons op en neer wiegen op het ritme van de grote pas... de afdalingen bleven toch maar schokken. Per vijf of per vier waren de kamelen met de bek aan elkaar gebonden en door het mannetje met de indigoblauwe djellaba meegevoerd. Om Maud wat moed te geven, gaf ik haar om de vijf minuten de tijd door. De duinen lagen op een twintigtal kilometer van de Algerijnse grens. We zagen in de verte nog andere kameelkaravanen door het zand trekken, maar het was toch een geruststelling dat we geen mannen met baarden tegengekomen waren, zodat we na een precieze timing van 1 u 57 min opnieuw bij de auberge Timbouctou aankwamen. Een heel bijzondere ervaring, maar wat waren we blij dat we eindelijk aangekomen waren! We konden ons hier wat verfrissen van het zweet (... was dit van de zon of van de spanning?) en profiteren van een ontbijt met pannenkoeken, voordat we opnieuw met de landrovers tot in de bewoonde wereld reden. Fossielen en opgravingen konden ons geen moer meer schelen, enkel het hotel Tafilalet in Erfourd en het zwembad en interesseerden ons nog.

 

Rond 10u30 arriveerden we opnieuw in Erfourd en hadden we de rest van de dag om ons af te stoffen, het zand uit de schoenen uit te kloppen, de koffer te herschikken, te douchen (al moest je eerst kijken of de plasticfles onder de afvoer nog niet overliep), te slapen en het zwembad te verkennen. Ober, een salade varié alstublieft! Voor de rest had het dorp niet veel te bieden. De Avenue Moulay Ismail was de enige straat van formaat met veel te brede, lijnrechte en uitgesproken militaire stoepen, voor de rest wat verspreide okerkleurige huizen uit de tijd dat het Franse garnizoen hier de toegang tot Tafilalet bewaakte. De berbers boden hier het langste weerstand tegen de Fransen en de vallei gaf zich pas als laatste van Zuid-Marokko over. Fransmannen hadden hier een als het ware een rasterpatroon van straten gelegd en er maar wat asfalt over gegoten. Langs alle kanten werd je er wel verwelkomd met 'Alles Goed?' en 'Bienvenu au Maroc, ami Berbère!', maar je voelde je als eenzame toerist toch maar een vreemde in al die drukte rondom het Place des Far. In de namiddag konden we immers op eigen gelegenheid nog wat rondslenteren, internetten met het querty-toetsenbord, eens wat geld bijhalen (ook dat moest gebeuren na anderhalve week) en tot bij een fossielenfabriek lopen. Ik werd er (alweer) vriendelijk onthaald en kreeg te zien hoe men de ruwe stenen polijstte en ze in marmer inbedde. De mooiste stukken uit de collectie stonden achteraan het stofferige atelier en waren te duur en te kitcherig. 's Avonds aten we op een terrasje langs de Avenue, waar vele fietsers (meer zonder dan met licht) voor de drukte zorgden. We bestelden een stoofpotje Kaila en hadden alweer de eigen Flag-speciale bierflesjes vergeten... het werd dan maar een POM's appelsap met prik. Toen een camionette met veel getoeter en gebrul kwam aanrijden en de passagiers er uit sprongen en wild om zich heen begonnen te springen op straat ('dansen' noemen ze dat), scheen dit de gewoonte te zijn om een huwelijk aan te kondigen... nu ja, opvallen deed het wel.

 

 

 

Erfourd - Tin(e(r)((g)))hir ...

 

Dag 11. Vandaag rijden we in de richting van de Todrakloof. We konden eens lekker lang uitslapen, want pas om 9u30 moesten we de bus laden. We verlaten Erfourd en het landschap verandert in een prachtige opeenvolging van vlaktes, tuinen en dadelpalmoases, die met enkele goed bewaarde lemen muurtjes omzoomd zijn. Aan de horizon verschenen hier en daar wat licht glooiende heuvels. Het was een komiek zicht toen verderop enkele 'molshopen' van witte kalksteen boven de vlakte uitstaken, die wel tot 3 m hoog konden zijn. Ondergronds scheen hier een enorm waterreservoir aangelegd te zijn, dat gevuld werd door het opgevangen regenwater. Dit diende dan als bevoorrading van de oases in de omtrek tot bij Erfourd, maar de inrichting is inmiddels totaal vervallen. Toen we de bus aan de kant van de weg stopten, kwamen meteen tientallen jongetjes per fiets uit het niets te voorschijn (... of kwamen ze uit die putten gekropen?). Alweer zwaaiden ze ons om de oren met van die fossielen, maar we probeerden hen wijs te maken dat we er al hopen gekocht hadden. En we waren eens op ons gemak... want een half uurtje later arriveerden we al in Tinejdad voor de koffiestop, een grote ksar temidden de palmoase. We stopten vlakbij een cafeetje, zodat we onmiddellijk van de bus tot op het terras konden lopen. Vandaag werden we verwend door Mustapha: hij kocht er een flesje rozenwater om de bus te verfrissen en kocht een nieuwe muziekcassette voor onderweg. Gisteren had hij voor Fieke al een waterhouder ineen geknutseld, die hij voor het vertrek vanmorgen al uitgebreid gedemonstreerd had, wat een man...

 

Tegen de middag daalden we af naar de voet van de Todra-kloof, we waren in Tinerhir, Tinghir of Tinerghir (al konden we het Arabisch toch niet lezen). We stopten er in het restaurant met de toepasselijke naam 'Kasbah' voor een spaghetti à la 'p'olonaise. De 'greatest Morrocan' hits speelden op de achtergrond, maar het geklingel was naar onze mening nog te nadrukkelijk aanwezig op het gezellige binnenplaatsje met zijn lage tafeltjes, betegelde zuilen en rondom kussens tegen de muur. Vanop het dakterras hadden we hier een verrukkelijk zicht op de nederzetting en de omliggende palmoase. De diep ingesneden groene streep tussen de ruwe en steile rotswanden kwam als het ware uit de opening van de Todra-kloof gevloeid.

 

Daar moesten we heen... er stond overal richting 'Todgha' geschreven en de verkeersborden waarschuwden voor overstekende kamelen. En ja hoor, op het uitzichtterras werden we nu niet alleen door ambetante Marokkaantjes omsingeld die de met palm gevlochten figuurtjes voor 1 DH probeerden te verkopen, maar zaten alweer kamelen op ons te wachten. Hola, daar moeten we toch niet meer op, zeker? Al bleef men maar aandringen om een sjaal te verkopen, hem om te knopen en daarna 1 DH uit je zakken te persen. Oprotten... skirt!! Het zich was er te mooi op de het dorp Aït-Boujane aan de overkant van de vallei. Ons hotel Yasmina lag helemaal op het einde van de kloof en was direct onder een overhangende rots gebouwd. We werden gewaarschuwd voor het eenvoudigere comfort, want de elektriciteitsgenerator werkte enkel tussen 18 u en 22 u, pas na lang wachten kregen we toch de handdoeken in de kamer, de lakens van het te kleine bed waren verrot, en het was er bevangen en warm met enkel een raampje op de '(g)(h)angkoker' en een kaarsenhouder zonder kaars... het is een te mijden plaats voor als je 's nachts onwel wordt! Maar we stonden eigenlijk onmiddellijk terug buiten voor een kopje thee onder de berbertent op het terras en wandelden daarna een stukje terug. Hier was de kloof het smalst en een paradijs voor rotsbeklimmers aan hun '(h)(g)angkoorden', met loodrechte wanden van 300 m hoog die elkaar tot op 10 m naderden; men had nog juist de plaats om de asfaltweg erdoor te trekken. Het spel van het zonlicht in de spleet veranderde constant als een ware film. De plek werd door de lokale bevolking echter meer als openbare stortplaats en car-wash gebruikt dan gerespecteerd om haar natuurpracht. Het water van de Oued Todra stond nog net hoog genoeg (bovendien kwam er van alle kanten water uit de rotsen gevloeid), en deed gretig dienst als koelkast voor de bakken frisdrank. Er werden vele toeristenbussen gelost, wat het als de verzamelplek bij uitstek maakte voor de 'bedelaars voor één minuut'. Met een manke pas kwamen ze je tegemoet, maar volkomen opgeknapt renden ze opnieuw weg naar hun volgende slachtoffer of doken ze terug onder in hun spelonken achter de souvenir-kraampjes. Een eenzame ezel die zijn vijfde poot had laten zakken, stond ons aan te staren en kon nog moeilijker een stap verzetten... ia-a-a? 's Avonds koelde het hier lekker af en konden we op het terras een harriri-soep als voorgerecht en een couscous met kip (of wat hadden we ook alweer besteld... Diana had het alvast op haar pakje cigaretten geschreven) als hoofdgerecht eten. En er was zelfs wijn in dit godverlaten gat!

 

   

 

 

Oasetuinen in de Todra-kloof...

 

Dag 12. 't Was een woelige nacht geweest, en weinig praktisch om met een zaklantaarn boven de WC-pot te hangen. De vies geurende kamer deed er ook niet veel goeds aan, totdat ik om 6u30 toch maar besloot om het over te geven en de friste van het dakterras op te zoeken. Het bleef nog wat draaien, maar een vers windje deed al wonderen... met de paar fijne zonnestraaltjes die al door de spleet schenen. Het was nog vroeg, enkel Mustapha was al present en zelfs het hotelpersoneel lag nog onder het linnen in de berbertent. Maar het ontbijt was snel op tafel gezet, met vandaag liever een theetje na de experimenten met gekeerde melk in de koffie. U begrijpt het al... dit was niet mijn favoriete plekje.

 

Sneller dan verwacht zaten we dan ook in de bus (als extraatje wilde de hotelbediende nu wel mijn koffer dragen) en reden we het eerste stukje van de oase terug. Het was opvallend stil in de bus, iedereen had blijkbaar niet zo'n goede nacht gehad op die harde bedden. De gids stond ons aan de rand van de weg op te wachten en we sloegen eerst nieuwe waterflessen op vooraleer we afdaalden in de palmoase... net de Hof van Eden. Meteen moesten we een riviertje (mét water zelfs!) oversteken, maar sandalen zouden toch volstaan voor de wandeling? Onze in het wit gewade gids wist niet veel te vertellen, hij deed ons enkel dienst als wegwijzer, maar die had je wel nodig in de wirwar van paadjes. We wandelden over de dijkjes van de irrigatiekanalen, die de verschillende velden van water moesten voorzien en met kleizakjes tijdelijk konden omgelegd worden naar een ander deel van de oase. Elk van de gewassen moest immers een juiste hoeveelheid water krijgen. Iedere familie had hier een vierkante lap grond in de tuin en beplantte die met gerst, tarwe en groenten of maïs wat verderop, daarboven groeiden de fruitbomen met granaatappels, kweeperen of pruimen en de dadelpalmen tegen de lucht; dat waren de typische drie lagen die men in een oaselandbouw telkens terugvindt. De vrouwen verzorgden gehurkt de gewassen op de velden, terwijl de mannen er de grond met de hand ploegden.

 

De tijd voor de dadeloogst was dichtbij en de rijpste trossen werden al met touwen uit de palmkruinen gehesen. Het ging zo maar uren door op hetzelfde lanterfanterende tempo, tot er eindelijk wat actie kwam... de 'wegwijzer-gids' plukte een onrijpe abrikoos en wat verderop spoelde hij die met wat water uit een welput, al raadde hij aan om het zelf niet te doen. De ondergrondse kanalen of khetarra's en bovengrondse kanalen of seguia's (ah, we hadden toch weer twee woordjes bijgeleerd vandaag) voeren grondwater aan die met waterzakken en katrollen wordt opgepompt of zo aan de oppervlakte komt. De paden waren smal waardoor we ook meermaals plaats moesten maken voor muilezels, magere koeien, vrouwen met de oogst op de rug of kinderen die ons aanklampten. We leerden hen wat Nederlands 'Ga weg, geen geld!', al bleken ze de betekenis niet te verstaan. Toen ze eindelijk afhaakten, werd hun rol overgenomen door snuisterende honden die ons achtervolgden. Nabij een wasplaats hielden we een pauze ('t was ondertussen nodig om ten volle te ontwaken en een zakje ORS op te lossen) en konden we nog tot bij een Joodse kasba Al-glaoui lopen met naar het schijnt een mooi uitzicht over de oase, zo vertelde men. De 'wegwijzer-gids' verzekerde ons ondertussen dat we al op de hoogte van het uitkijkterras van gisteren waren, en nodigde ons uit voor het middageten... hiervoor hadden we wel een steile klim over naar een zanderige en bloedhete nederzetting, die er verlaten uitzag. Met trots toonde de gids ons zijn elektrisch pompje, de geiten en het schaap.

Wij waren vandaag de eregasten en werden er ontvangen in de gastenkamer met kale muren, wat zetels tegen de muur en kleurenspots aan het plafond. Na enige tijd staren kwam de thee eraan (we waren tóch welgeko-men), deze keer zelfs met koekjes een nootjes. Nadien kregen we er nog twee lekkere schotels met couscous en we gingen wat dichter op de grond zitten rond de lage tafeltjes om wat uit de kom te nemen. Er lagen geen messen of vorken, enkel een lepel waarmee we een brokje uit de grote schaal namen. De kinderen kwamen zich ondertussen voorstellen en wilden enkele henna tattoos verkopen voor op de handen en enkels. De kleifiguren werden met een spuitje aangebracht en moesten een 24-tal uren drogen zonder water (hoe zullen we ons wassen?) en nadien 'zou er eventueel mogelijks' een bruin-oranje tint overblijven. Het duurde even, maar we hadden alle tijd en konden genieten van languit met de voeten omhoog in de zetel te liggen. In de namiddag hadden we enkel nog driekwartiertjes te stappen tot in Tinerhir. Na een laatste steile klim over een zanderig keipad liepen we recht het terrasje op het marktplein binnen.

 

Mustapha zat ons al een uurtje op het terras op te wachten en deed ons watertanden naar een frisse POM's, want we hadden nog een 2-tal uren busrit te gaan naar ons volgende hotel met adres 'Km 27 sur la route de la Vallée de Dades Boumalne'. Wedden dat Mustapha overmorgen naar de barbier gaat?

 

 

 

Dades-kloof...

 

Dag 13. En de dertiende dag hadden we volledig vrij... 't was rustdag. De wandeling met gids doorheen de kloof vertrok deze morgen om 8u (nee, dank u), maar met enkelen sliepen we liever wat uit en namen we een rustig ontbijt op het terras van ons hotel 'Kasba de la vallée'... ook dat was vakantie! Het was hier al geen Frans ontbijt meer, want we kregen er brood met honing. Het hotel lag meteen aan de voet van de kloof en was even goed op eigen gelegenheid te verkennen tegen een tempo dat beter aangepast is aan maagklachten. Het decor was wel indrukwekkend met zijn unieke spel van telkens veranderend zonlicht die nu eens de toppen, dan weer de volledige flank van de oranje rotswanden kleurde. De aanvankelijk brede strook in steengruis tussen de rotswanden, die aan de kant van de weg met oleanders begroeid was, vernauwde al snel tot eigenaardig uitgesleten vormen en spectaculaire rotsformaties die over de smalle bedding van een occasioneel riviertje hangen. De route kwam echter minder aangepast aan de digestieve omstandigheden toen we van rotsblok tot rotsblok geleidelijk naar boven begonnen te klauwteren. Op tijd en stond moest je wel de schaduw van de wanden zoeken om wat te genieten van de rust... een tegenligger die hier om een asperine kwam vragen was toch wel het laatste dat we verwacht hadden. We trokken tot bij een min of meer open plek die met helmgras begroeid was, maar waar ladingen afgeschoven steenmassa's de verdere weg versperden.

 

De rest van de dag waren we lui. We moesten onze koffers wat herschikken en nog steeds overtollig Sahara-zand verwijderen en zaten op het terras te wachten tot de andere wandelaars terugkwamen. We konden min of meer dezelfde herinneringen vertellen, met uitzondering dat zij toch meer afgezien hadden, en namen de tijd om een rijkelijk gevulde sandwich met fromage te eten. Ja, je kon hier immers voortreffelijk eten: de dag voordien hadden we een viergangenmenu gekregen met harira, spaghetti, kaila en... de traditionele fruits de maison ('t waren druiven dit keer in plaats van meloen). Voor vanavond zou het dus moeilijk kiezen worden, en we werden ambetant toen er op algemene aanvraag opnieuw spaghetti moest komen (waren we dan toch geen al te kieskeurige groep, Fieke?) als voorgerecht bij de lamsbrochettes met frietjes en... mayonaise (of mosterd)! Met z'n veertienen lepelden we het potje tot op de bodem leeg. Half aangeschoten en bezweet schoot de eigenaar later binnen en werden de tamtams en kleppers bovengehaald: van "O Mustapha, Mustapha" tot "Aïcha, écoutez-moi" stonden op zijn repertoire, terwijl hij diep in gedachten verzonken zat over de herinrichting van zijn salon en de combinatie van blauwe zetels met gele muren... hij zou er in ieder geval moeten voor zorgen dat zijn faiencetegels in de toekomst wat rechter tegen de muur hangen. En ondertussen breidde onze Arabische woordenschat ferm uit, toen hij 13 kamelen bood voor Tine en 3 kamelen voor Maud, of aanzag hij Diana voor Yolanda en Albert voor Alfred? Hij raakte volledig in vervoering en het duurde wel tien minuten vooraleer hij twee tassen thee had geschonken en liet dit best over aan de ober om zich ten volle aan zijn cliënteel en zijn straffe verhalen over de optredens in New York te kunnen wijden. Het werd vanavond pas compleet rustig als we in bed lagen en de generator stilviel.

 

Van Dades naar Dra...

 

Dag 14. Om 7u28 (we kregen twee bonuspunten) hadden we de bagage ingeladen en vertrokken we uit de Dades vallei. Het is één van de economisch meest welvarende gebieden van Marokko, alhoewel dit niet meteen bleek uit de staat van het wegdek. De weg was hier en daar uitgebrokkeld en alle bochten helden over naar de kant van de afgrond. We hadden dus ruim de tijd nodig om deze vallei uit te rijden, maar kregen onderweg een weids uitzicht over opnieuw een groene oase rondom de Ouadi. De okerkleurige kasba's in zandsteen contrasteerden nauwelijks tegen de kleur van de geërodeerde vulkanische rotswanden en ongenaakbare burchten keken van op hun sokkel neer over het dal. Halverwege de kloof lag de bekende Tamnalt-kasba met slanke torens tegen een achtergrond van rotsen die met hun afgeronde vormen als hersenen lijken. Vandaar de Vallei der Menselijke Gedaanten of de Vallei der Apenvingers. De meeste huizen waren versierd met ijzeren poorten die met motieven beschilderd waren en hadden tralies voor de ramen. Het was vandaag 'heilige' vrijdag en tijd voor de gemeenteraadsverkiezingen in het land. Overal verstrooiden kinderen pakjes folders in de dorpjes, al zagen ze er allemaal van dezelfde partij uit, afgaande op het symbooltje met de duif. Het schijnt hier één van de rijkste valleien van Marokko te zijn, waaruit vele families naar Europa zijn weggetrokken om geld voor hun familieleden te gaan verdienen. Dat was duidelijk te zien aan de vele nieuw gebouwde, en wat kitcherige, huizen die niet echt pasten bij de oude bouwstijl. Hassan II had ook een fonds opgericht die er moet op toezien dat de geëmigreerde Marokkanen naar de meer democratische landen nog de waarden van de Islam respecteren en een bepaald deel van het loon naar het vaderland terugbrachten. De namen van de leden van buitenlandse moskeeën moesten geregistreerd worden, zodat Hassan II nog wat controle over hen hield. Lange tijd koesterde hij de hoop dat velen zouden terugkeren, maar het lijkt erop dat vele gezinnen nu voorgoed vertrokken zijn.

 

Anderhalf uurtje later waren we terug in Boumalne, en pas hier merkten we dat de kloof zo'n 32 km lang was. Vanaf hier hadden we gelukkig een snellere weg naar het warme zuiden met af en toe een verlaten dorpje en een paar moskeetorens die boven de vlakte staken. We stopten even in de drukke hoofdstraat van El Kelaa des M'Gouna, het rozendorp, wat te danken is aan de pelgrims die hier de Rosa damascena hadden geplant op hun terugtocht naar Damascus. Sommige jaren oogst men hier tot  4000 ton rozenblaadjes die in twee plaatselijke distillerieën verwerkt worden voor eigen gebruik en export. In de tientallen boetieks van 'eau de rose' en 'produits de rose' onder de arcadenboog kon je kleine flesjes rozenwater, rozenparfum, rozenzalf en rozenblaadjes vinden. De helroze kleur van het potje dat we op een terrasje opendraaiden contrasteerde tegen mijn fel oranje gekleurde Fanta orange. We hadden nadien nog wat tijd om over de berbermarkt te lopen aan de rand van de stad waar verse groenten, dieren, fruit en tuperware werden aangevoerd. Bij het buitenrijden was van de rozenvelden niet veel meer te merken (de vele souvenirwinkels herinnerden op tijd en stond wel aan de rozen), maar misschien refereerde de naam het 'roze(n)dorp' enkel naar de kleur van de aarde? Al was dit landschap van golvende en verlaten vlaktes, heuvels aan de horizon en elektriciteitspalen ons ondertussen welbekend, voor palmbomen was het hier te hoog.     

 

We zaten ondertussen op de Route du Kasbah en met wat jazzy Cubaanse muziek op de achtergrond passeerden we opnieuw de Belgische karavaan. Langs de lange, soms eenzame en vooral stofferige weg had de buschauffeur toch voor het comfortabele asfalt gekozen, al kon men evengoed over de rivierbedding van de droge Oued Immassine en Oued Hajaj tot in Skoura rijden... en met die droogte te bedenken dat de toppen van de Hoge Atlas hier 's winters besneeuwd liggen! Rechts van de weg verscheen langs de rivier Dades een imposant palmbos met rozentuinen, vijgenbomen en naaldbomen dat hier in de 12° eeuw al was aangelegd door de Almohadische sultan. Een aantal lemen huttendorpen in aangestampte aarde stonden er verspreid, al waren vele van de mooiste kasba's verlaten en waren families verhuisd naar de betonnen blokhuizen aan de rand van de grootstad, anderen waren in ruïnes veranderd. We naderden opnieuw een grootstad en aan de rand van Ouarzazate lag een stuwmeer om de omgeving van water en elektriciteit te voorzien. We bezochten er de Berberarchitectuur van de feodale kasba van Taourirt (1900), het symbool van de Glaoui-stam en de pasja van Marrakech. Ze bewaakten de toegang tot het zuiden, maar bij het passeren van de Fransen waren het de eersten die collaboreerden. De façade met hoge, gladde (en wat scheefstaande) lemen muren waren met bas-reliëfs versierd, maar de eens zo idyllische ligging van de burcht werd verstoord door de nabijheid van de moderne stad. We werden door onze gids opgewacht op het binnenplein met zijn kanon uit Essen en rondgeleid in de gerestaureerde leemburcht doorheen de ontvangstruimtes, de zaal van de Koning en de zetel van de pasja, de kamer van de 'favoriete vrouw', die van de 'tweede vrouw' en de rest van de harem met beschilderd sierstucwerk, smeedijzer, houten plafonds,... . In het kunstnijverheidscentrum aan de overkant hadden we op het dakterras nog een sandwich besteld en konden we nog wat genieten van het zicht over de vallei.

 

's Namiddags waren we veruit allen in slaap gevallen toen we zuidwaarts doorheen een aanvankelijk schrale oase naar de provincie van Zagora reden... 't was nog zo'n 164 km rijden! Toen Fieke de ganse bus heen en weer zag wiebelen, greep ze in en laste ze een tussenstop in, want we zaten in de rotsige Anti-Atlas. Dat is het laatste gebergte vóór de woestijn naar het zuiden. De steden hadden we in de vallei achter ons gelaten en we reden langs spectaculaire ravijnen met scheef afhellende bergplateaus die nauwelijks begroeid waren op dit zwarte woestijnachtige plateau. Een kloof splijt de aarde en we volgen de gewelfde wanden van de canyon. Zo zagen de toppen eruit naar het noorden, het oosten en het westen. Verderop werd het compleet ruig toen de weg afgesneden was door een modderstroom en we via de bergflank moesten omrijden. Ondertussen bleef het maar stijgen tot we de Tizi n'Tinififft pas (1660 m) over waren en naar het plaatsje Agdz in het dal stortten, het eerst teken van leven tussen Ouarzazate en Zagora... koffiepauze alstublieft! Het is een authentiek plaatsje in de schaduw van de djebel Kissane, waar het dagelijkse leven rustig verder kabbelt: muilezels die met stokken worden vooruit getikt, jongeren die op de moto voorbij paraderen, kinderen die cigeretten proberen te verkopen en een politiepatrouille op de hoek van iedere straat. Onder een arcadenboog waren enkele winkels met alweer tapijten en kelims, maar toeristen zag je hier nauwelijks. Het dorp lag aan het begin van een groene streep palmbomen en gecultiveerd land in de Drâa vallei, het meest schilderachtige deel van Marokko. Normaal staat de rivier kurkdroog met maximaal 2 mm regen gedurende de laatste twee jaar. Nu stond er sterk stromend water, waarschijnlijk was hierdoor de weg weggespoeld. De rivier ontspringt in de Hoge Atlas en verdwijnt 200 km verderop in de woestijn, pas bij grote regens wordt de Drâa weer een echte rivier die 1200 km verder dwars door de woestijn uitmondt in de Atlantische oceaan. Deze streek werd vroeger bewoond door slaven die uit Soedan kwamen, maar nu nog steeds leven hier pachters die 4/5 van de opbrengst van hun gronden moeten afstaan. De huid van de mensen leek hier ook donkerder geworden. Velen zijn echter ook naar Casablanca getrokken met uitzicht op beter leven, want een goede waterbevoorrading blijft hier proble-matisch. Bulgaarse ingenieurs zorgden hier voor een irrigatiesysteem van ondergrondse kanalen. Aan de linkerkant van de weg lag de immense dadelpalmplantage van anderhalve kilometer breed, terwijl rechts het ene na het andere ommuurde lemen (pisé) dorp voorbijschoof. En ook hier had de Koning Mohammed VI gepasseerd. Mustapha hielp ons graag bij het ontcijferen van de teksten op de bergflank, al snappen we het nog niet helemaal...

 

 

Zagora...

 

Dag 15. We zaten in het meest zuidelijke punt van onze reis in een dorp dat eigenlijk niet veel voorstelt: één hoofdstraat, één rondepunt, één zijstraat met het hotel en één betonnen wegwijzer die aangaf dat het vanaf hier per kameel nog 52 dagen reizen is naar Timbouctou in Mali. Het roept een visioen op van de grote karavanen die door de Sahara trekken om zout te verhandelen met andere nomadenfamilies die men onderweg tegen-kwam, al wordt die illusie verstoord door het modern betonnen gebouw van de préfecture erachter. Langs de kaarsrechte en weinig sfeervolle Boulevard Mohammed V (of wat dacht je...) was van alles te vinden (maar toch het meest van al garagisten) en konden we even nog wat geld ophalen. Maar wanneer je er als enkeling wat doelloos ronddwaalde, werd je er als 'ami Flamand' steevast uitgenodigd voor de thee of moest je een dringend pakketje geneesmiddelen meenemen naar huis voor familie of vrienden. Iedereen wil je helpen, je de weg wijzen, je informatie geven, ... in ruil voor een kleine tegemoetkoming uiteraard! Het soeks terrein lag er verlaten bij, want enkel op woensdag en zondag is er hier markt (en euh... 't was waarschijnlijk zaterdag vandaag).

 

In de morgen reden we nog naar het dorpje Amezrou, een ksar in het palmenbos rond de Draa. We verlieten de stad in zuidelijke richting en staken de rivier over. Bij onze aankomst in de Joodse kasba werd de bus onmiddellijk omsingeld met opdringerige kinderen, die elk wel wat wilden. Wij hadden wel al een 'blauwe gids' mee, die ons in het Frans rondleidde... kan iemand dit vertalen, monsieur le professeur? We liepen doorheen de ondergrondse straatjes die nauwelijks licht kregen en toegang gaven tot lemen en rieten huisjes. Zonder gids leek dit wel een doolhof. Naar we verstonden wonen hier nog een 4000-tal families in dit godverlaten en stofferig gat. Het beroemdste zicht was dit van de oude synagoge van de Joodse mellah. Die was nu op slot omdat hier geen Joden meer wonen en de synagoge verboden terrein is voor moslims. Nu wonen hier Arabieren en Berbers, die wel nog de joodse traditie van het maken van zilveren sierraden voortzetten. Een enkele smid zat nog wat met een staaf in het vuur te kotteren, maar erg productief leek zijn werk ook niet, want de grote werkplaats was gesloten. De gids nam ons dan maar mee naar het 'grande maison', een soort museum met gebruiksvoorwerpen van de Sahara-karavanen. Er hingen bagagetassen, djellaba's en kruiken onder het stof en we werden eerst meegenomen naar het terras voor het uitzicht over de daken aan de rand van de woestijn (hadden we dit in Meknes al niet eerder meegemaakt?), want 30 km verderop begon de Sahara zandwoestijn. Er werd thee geserveerd en de ware gedaante van onze gids kwam boven, hij was... juist, tapijtenhandelaar! De show kon opnieuw beginnen, met stapels geweven, geknoopte, of geborduurde stoffen in zijde, kamelenhaar, dode wol of levende wol, klein of groot, wit, zwart of rood, grootformaat of lopers,... maar vooral duur. Enkel Frank en Gonnie waren echt geïnteresseerd, dat hadden ze hier al lang door, en werden in een kamer apart genomen om er te onderhandelen. Gelukkig hadden we Albert mee als expert. Ondertussen kwam de grauw-en-grijze zilverwinkel boven, en aan je blik konden ze precies zien wat je wilde... nada, rien, pas du tout, merci, au revoir!        

 

We waren in Zagora niet gelogeerd in La Fibule du Dra, maar in het nog luxueuzere hotel Tinsouline. Bij onze aankomst gisterenavond hadden we onmiddellijk Marokkaanse thee besteld (het werd voor eens niet spontaan aangeboden), op aanraden van Diana zónder suiker dit keer... mmm, d' er scheelde toch iets aan. Met z'n dertienen grepen we snel naar de zoetklontjes van Yolanda. We liepen al een tijdje te dromen van een verfris-send ('fris' was het water wel) zwembad, want het was ondertussen al snikheet geworden. De ober bediende er ons een sandwich met kip op het terras, terwijl we onze ligzetel onder de schaduw van de enkele palmen-bomen mikten. Vóór het avondeten konden we nog de hammam van het hotel bezoeken, al waren de mannen meteen niet meer zo enthousiast (weet je nog wel, Midelt?). Speciaal voor deze avond hadden we een pastilla met kip en amandelen gevraagd, en voor de tweede dag op rij kregen we wijn bij het eten, wat een luxe... al kwam die fles weer uit Meknes! Gisteren hadden we brochettes met rijst, friet en... mosterd gegeten (ah non, on n'a pas de mayonaise) met fruit als dessert. Vandaag kwam er geen dessert, of dan toch toen de lichten rondom het zwembad doofden... "lang zal ze leven, Maud!" met haar verjaardagstaart. Mustapha kwam gezellig bijzitten en zelfs hij had -naast zijn lach- ook nog voor een leuke attentie gezorgd. Nadien begonnen we al met het uitwisselen van adressen, toen Mustapha zijn adreskaartje bovenhaalde en zijn uiterste best deed om een aandenken in het boek van Maud te schrijven.

 

 

Zagora - Marrakech...

 

Dag 16. Lèbès? Béhèr. Hamdoullah! Ja, we hadden goed geslapen, maar moesten nu snel de koffers pakken om te vertrekken en nog een zangstonde voor Maud te regelen. We moesten dezelfde weg van eergisteren langs de Wadi Draa terugrijden tot in Ouarzazate (de stukgeslagen weg was nog steeds voor geen meter vermaakt...), maar de reisgids vertelde op twee verschillende momenten door de vallei te rijden en te genieten van de verschillende lichtinvallen. Wel, 't was nu 's ochtends vroeg en alle kasba's aan de rand van de brede dadelpalmoase baadden in de zon, terwijl 's avonds enkel nog de toppen van de omliggende tafelbergen geel kleuren van het zonlicht. Ondertussen was het tijd geworden voor het tweede deel van de taalles Arabisch-Frans en Frans-Nederlands. Het schoot niet echt op en we beslisten om beter maar de Soedanese slavenmuziek op de achtergrond te zetten, terwijl we toch wel in de gaten kregen dat de ster in de voorruit alsmaar verder bleef groeien... maar Mustapha hield voet bij stuk: pas in Casablanca zou de ruit vermaakt worden, Inshallah... ! Op aanraden van Maud hielden we een pauze in Ouarzazate en werden we verwend met een ijsje en een koffie. Met een wat los hoofd, was het van de hitte of van het keren en draaien, liepen we nog even de hoofdstraat af (juist, de Av. Mohammed VI) op zoek naar een winkeltje van aquarellen en de vele antiquairs. Hier konden we ook inkopen doen voor de pick-nick nabij de ksar Aït Benhaddou 32 km verderop. We zaten hier in het 'Hollywood van de Sahara', want net buiten Ouarzazate lagen op een verlaten stuk golvende steenwoestijn de Atlas-filmstudio's die door sfinxen en reusachtige Egyptische zuilen werden bewaakt en afgezet met hoge pisé-muren. Onlangs was dit de set voor scènes uit Gladiator. We verlieten de hoofdweg en reden doorheen een volledig vlak en uitgedroogd land tot wanneer we de pittoreske lemen torens van ver tegen een heuveltopje met roze getinte zandstenen zagen plakken. Aan de oevers (of beter in de bedding) van de uitgedroogde Wadi zochten we ons eerst elk een steen in de zeldzame schaduw en aten we onze pick-nick (ha, er was eens pâté vandaag). Toen we de eerste passen in de richting van de toegangspoort tot de imposante kasba zetten, werden we meteen door kinderen aangeklampt die 10 DH entree vroegen voor een bezoek, terwijl het toch een monument onder Unesco-bescherming is en ook vrij te bezoeken was? We zagen in dat we nog maar eens zouden opgelicht worden en bleven maar wat omhoog kijken naar de gerestaureerde torens, die vooral door ooievaars bewoond werden. Het was een verzameling van een zevental kasba's, dat vroeger een veilig onderkomen bood in de buurt van water en landbouwgrond, terwijl het nu als decor dient voor o.a. Lawrence of Arabia en bijbelse films, maar amper nog bewoners telt. Aan de andere oever was een rommelig toeristendorp verrezen, waar we ons voor het gemak als Australiërs konden uitgeven en deugd hadden van het drankje op het terras. Diverse messen, ringen, fossielen, kristalhoudende stenen en beeldjes leken echt te kitcherig. We moesten immers nog 130 km rijden tot Marrakech en het was al 14u00...

 

We hadden geen keuze... er was maar één weg, maar het werd de spectaculairste bergroute van de afgelopen weken. We volgden de weg over de Tizi-n-Tichka pas, die in de jaren 20 door de Fransen was aangelegd tussen de sneeuwpalen, en zetten ons klaar voor de eindeloze haarspeldbochten. Vanaf de eerste pas Tizi-n-Aït Imger (1470 m) kregen we een  panoramisch uitzicht over de Hoge Atlas en stonden langs de weg kraampjes met aardewerk, mineralen en stenen. We bleven maar omhoog rijden tot de tweede Tizi-n-Tichka pas (2260 m), het hoogste door een weg omsloten gebied in Marokko. De top wordt aangegeven door een eenzame electriciteitsmast. De weg wordt geflankeerd door kale brokken rots en de Jbel Bou Ourioul en de Jbel Toubkal op de achtergrond. De bergen hadden hier een rode gloed, en eindelijk zagen we opnieuw eens de schijn van sponsachtige groene plantjes (ze waren weliswaar laag, maar 't was toch al iets) met steeneiken, jeneverbessen, notenbomen, dennen,... in terrasbouw. De overheersende kleur van het landschap verandert van grijs naar bruin en kastanjebruin. De lemen huizen van de glaoui-kasba's waren trapsgewijs tegen de hellingen gebouwd, vaak met het ene op het dak van de andere. We passeerden een gemeenschappelijke graanopslag ('agadir'), volledig in pisé-muren en houten stutpalen. Schitterend! Maar wat we hier nog het meest appre-cieerden was de koelte, de friste, de kilte... kunnen we hier eens niet wat langer blijven in Taddert? We hiel-den enkel een stop bovenop de bergpas, het enige punt waar ook wat drank te vinden was langs de route, en stortten ons daarna naar de vallei van Marrakech. Ook Mustapha duwde wat harder op het pedaal aangezien we in de bergen maar traag opgeschoten waren en een ambetante Djoser-bus ons op de hielen zat ('t waren nu eens geen Belgische caravans!), maar hij kende de weg hier goed, want onze chauffeur woonde in Marrakech en zou morgen dus twee dagen vrijaf hebben... gas geven! We kwamen in de buitenwijken van de grootstad en op zondagavond was het hier verschrikkelijk druk met de vele wandelaars op de esplanades en op de banken in het park. Na enkele links-rechts manoeuvres reden we een van de zovele stadspoorten in, tot bij ons hotel Islane in het hart van de stad. En wie had hier een Italiaanse spaghetti, lasagna plastic, escalope of een pizza beloofd op het dakterras? mmm... en die Italiaanse toetjes dan... en die weemoedige saxofonist dan... ze deden ons in ieder geval de vele smog langs de straat vergeten.

 

 

 

Marrakech...

 

Dag 17.  Het was 04u45 en ik schiet wakker als de moëdzin oproept tot gebed. Ik ga liever terug slapen en heerlijk toch... lang uitslapen en zoet ontwaken op het dakterras met vers vruchtensap en chocoladebroodjes. Het meeste verkeer was ondertussen al goed op gang gekomen en eigenlijk moesten we de dag nog wat regelen, want we zouden onze plan trekken. Met Tine en Yolanda was ik om 10u00 afgesproken en gingen we eerst de paleizen bezoeken in het zuidelijke deel van de oude stad. We probeerden dezelfde weg af te stappen die we gisteren met de bus gereden hadden en passeerden de druk bevolkte straten waar we meermaals van het voetpad gejaagd werden door de zwarte rook en oliestank uit bromfietsherstelplaatsen en garages. Niemand kijkt je aan, niemand stoort zich, misschien omdat velen hier ook blank en Europees zijn. Er was wel beduidend veel politie op de straat en je voelde hier toch wat meer veiligheid dan in steden als Fez. De grote verkeersaders door de stad slikken kilometers autoverkeer en zelfs nadat we het kleinere steegje bij de dubbele poort insloegen, was er nog altijd plaats voor twee kruisende (mini) auto's, steekkarren en paarden. We kwamen bij de Kasba moskee en moesten nu toch wel even de weg naar de Saadische graven vragen. Niet enkel voor nieuwe filmrolletjes werd je hier danig afgezet (zo sterk zelfs dat de vrouw nors was en je zelfs amper durfde aan te kijken), maar zelfs voor het aanwijzen van een richting werden tien dirham verwacht of kreeg je van 'de eigenaar' een stellige uitnodiging om zijn apotheek te bezoeken. Toegegeven, het geheel zat ferm verscholen achter meters dikke okerkleurige muren, die uit respect voor de doden werd toegevoegd. Anderen vertellen dat de opvolger van de 16° eeuwse dynastie alle sporen van zijn voorgangers wilde uitwis-sen en de graven liet inmetselen. Pas sinds 1917 werden de graven toegankelijk voor publiek. Ze bevatten twee mausolea in een weelderige bouwstijl-met-hoefijzers temidden een palmentuin, net het paradijs van Allah! De graven bestonden uit drie kamers met witte marmeren zuilen, cederhout en geglazuurde tegels. Met één oor konden we bij een Spaanse gids meeluisteren en naar we verstonden was het hier 45°C heet! De achterste perken van de tuin waren verlaten en nu het werkterrein van mozaïekkappers. Bij het buitenkomen stond hij er nog steeds, de 'apotheker', en voor het gemak liepen we toch bij hem binnen voor een pakje 45-kruiden. Opnieuw kregen we dezelfde rim-ram als in Fez te horen... maar nu konden we steevast op alle vragen antwoorden.        

 

En alweer kregen we een 'gids' toen we door twee jonge knapen de weg naar het Bahia-paleis werden gewezen. Dit keer wisten we het echter zelf zijn en probeerden we ze kwijt te spelen door te slenteren, even een slok water te nemen of wat te winkelen... maar steeds werden we tot haast aangespoord. Een oudere man die aan de kant van de weg takjes munt probeerde te verkopen had de jongens nog bezig gezien en wist ze met een verwenste blik (hij zei iets van 'Allah'...) weg te jagen. We wisten ondertussen toch zeker dat we tussen de matrassenfabrikanten en juweliers op de juiste weg zaten. Het enorme paleis, waarvan de naam 'Paleis der Favoriet' betekent, zat verscholen achter een lange laan met vijgen- en sinaasappelbomen. Overal in Marra-kech is de entree 10 DH. We moesten er eerst wat rusten van de hitte, terwijl ook Diana en Maud kwamen aandraven. De ene na de andere binnenplaats (waar bomen dit maal eens voor afkoeling zorgden) volgden elkaar op, met aan weerszijden ervan luxueuze appartementen, fraai bewerkte bogen en zelij-tegels, marmeren zuilen en schitterende cederhouten plafonds. Het complex was in verschillende periodes gebouwd, en je waande je hier eerder in Andalusië. Nadien keerden we op onze stappen terug tot bij het Place des Ferblan-tiers, met zijn smeden, fietsenherstellers en frituren. Van op een dakterras aanschouwden we de drukte en wel twee jus d'oranges begonnen ondertussen te smaken. De middagzon had ondertussen een de fel roze gloed van de huizen beter laten uitschijnen en het werd veel te heet toen we moesten terugwandelen naar het hotel en onderweg wat vers fruit inslaan.

 

In Marrakech kan je moeilijk verdwalen, want de Koutoubia-moskee aan de overkant van het hotel is vanuit de ganse stad te zien en kaarsrechte straten lopen in de richting van het belangrijkste kruispunt, busstelplaats en taxi-stopplaats van de stad. Het sobere bakstenen hoefijzer aan de ingang heeft een ontwerp van de meeste Marokkaanse bouwwerken, maar de decoratieve minaret is een van de sierlijkste uit de islamitische kunst. Naast de gebedshal lagen de restanten van de originele moskee, die men had moeten afbreken toen een van de muren niet precies naar Mekka was gericht. Het was er rustig wandelen in het achterliggende park met een weergaloos uitzicht. Van hieruit was het niet ver tot bij de stadsmuren met haar stenen die naargelang de zonnestand van perzikoranje tot roestbruin kleurden. De pisémuren waren rondom 19 km lang, 2 m hoog en 9 m hoog en op geregelde plaatsen onderbroken voor een Moorse poort: de Bab el-Jdid en de Bab Makhzen (al waren sommigen niet meer dan een 'gat' in de muur). Van op zijn sokkel midden het kruispunt stond een politieagent vanonder een schuilhokje het verkeer te regelen. Onderweg kwam je door de sjiekere buurt van Marrakech en kon je een blikje werpen op de monumentale toegang van het hotel La Mamounia (1929) met zijn tuin vol olijfbomen en sinaasappelbomen. Hier verbleven beroemdheden als Churchill, Nixon en Welles.  

 

's Avonds slenterden we op het Djemaa-el-Fna plein, dat hier eigenlijk net om de hoek lag en verscholen achter een brede laan met paardenkarretjes en toeristenbussen die het zicht belemmerden. Het plein is een opengerekte rechthoek die door rijen stijlloze gebouwen, plastic wegmarkeringen en geparkeerde taxi's wordt omgeven. Het bleef even de adem inhouden om de Afrikaanse menigte langs de drukke tweevaksbaan naar het plein over te steken. Aan het andere uiteinde, waar de poorten naar de soek leiden, drinken toeristen thee op balkons van cafés om de actie te bekijken. De bijnaam 'Bijeenkomst der doden' verwijst naar de gewoonte om hier criminelen te executeren. Er zijn slangenbezweerders, dansers, muzikanten, acrobaten, waarzeggers, koranlezers, brievenschrijvers, tandartsen en astrologen. Er klinkt een kakafonie van trommels, vinger-cymbalen en fluiten. Vandaag echter balanceert het plein tussen traditie en kermis. Naarmate de avond echter vordert wordt de hysterie groter en moet je eraan toegeven. Voor een enkele foto van een afgericht aapje aan een ketting, een omhoog gekrulde slang of een waterdrager verwachten ze hier 20 DH. Een groepje mannen staat er verzameld rond een toneelspeler die hier zijn fiets neergelegd had en zijn alledaagse ding stond te doen, terwijl ik merk dat ik steeds dieper in het asfalt wegzak. Voor 2.5 DH (officieel althans) kun je hier de klok rond een geperst sinaasappelsap proeven, en twijfel niet aan de versheid of de puurheid, want dan mocht je meteen een kijkje achter de schermen nemen. De prijs daalde overal tot 2 DH en als je tweemaal bij hetzelf-de kraampje langsliep, kreeg je er nog een half glas bovenop. Om klokslag 18u00 verandert het plein van gedaante en wordt het belegerd door huifkarren die eetstalletjes aanvoeren en opzetten. De rook van barbecues of gekookte slakken stijgt op, al moet je tussen de 50 tentjes wat kieskeurig zijn: schapendarmen, schapen-koppen, varkenspoten, hersenen... misschien waren dit de rituelen waarnaar je overdag op zoek was? We kozen "Nr. 1" en kregen een mix van lamsbrochettes, frieten, couscous, gegrilde paprika's en aubergines op aparte schoteltjes. De kroonkurken spatten ons rond de oren en bedelaars zag je nu overal.   

 

 

Dag 18. We moesten vandaag iets vroeger (9u) vertrekken, want Fieke vertelde dat de belangrijkste bezienswaardigheden over de middag dicht gaan. Vóór het hotel houden we een bruine petit-taxi aan om ons naar de Jardin Majorelle net buiten de stadsmuren te brengen. Het lukte me om de chauffeur te overtuigen om zijn teller voor eens aan te zetten en hij verzekerde ons dat het opnieuw een hete dag (42°C) zou worden. In de tuinen vonden we gelukkig wat schaduw tussen de meest veelzijdige tropische beplanting, terwijl we genoten van de weelderige kleurenpracht ver weg van het drukke stadsleven. Naast bourgainville, yucca's, bamboe, laurier, cipressen en waterlelies, stonden er honderden soorten palmen en cactussen. De Franse schilder Jacques Majorelle reisde hierheen omwille van de intense Marokkaanse kleurenpracht van groene, gele, rode en blauwe tinten die hem inspireerden en liet hier een Moorse villa bouwen waarin thans een museum voor islamitische kunst is gevestigd. Er zijn schilderijtjes van Zuid-Marokkaanse dorpjes, bewerkte houten deuren en heel wat keramiek te zien, met een uitbeelding van de karavaantochten naar de Sahara... het kwam ons allemaal bekend voor! Nu is het domein bewoond door Yves Saint-Laurent. We proberen een taxi terug te nemen, maar onderhandelen haalt hier niet veel uit; het was en blijft een feit dat je voor de heenrit 10 DH betaalt en het dubbele voor de terugrit, met de smoes dat ze hier al een ganse tijd stonden te wachten.

 

's Middags gaan we de medina in. We lopen door de smalle straatjes, proberen Yolanda's boekje te volgen en zien wel waar we uitkomen. Veel verkopers proberen je naar binnen te praten voor een paar slippers, een theeservies (inclusief kan en glaasjes), tajines (al hadden we die al gehad),... Ferm afdingen hoorde er overal bij want de vraagprijzen lagen onnoemelijk hoog, al beweerden de meesten 'I'm not joking, I'm a muslim' wanneer je hen attent maakte op hun idiote prijzen. Wat beginnen zeveren over 'le pays Flamand de Jacques Brel' of een aansteker als toegift kon wel wonderen doen... maar vanaf het moment dat je naar iets stond te wijzen was het meteen al verkocht, dus stond je best wat met je ogen rond te draaien. Het is een spel waar je de nodige tijd moet voor nemen, want anderhalf uur per aankoop is goed gepresteerd. Ze blijven je voortdurend nalopen en tonen hun bereidwillige Nederlandse kennis à la 'kijken, kijken niet kopen!'. Altijd in beweging blijven is hier een must om niet toe te geven aan allerhande uitnodigingen voor thee, kortingen en bedelaars. Toch blijven we maar hangen in de overdekte hoofdstraat, waar elk van de soeks met een afzonderlijke poort werd afgesloten. Tiens, waren we hier al niet eerdere gepasseerd of leek alles hier zo op elkaar? Maar er zal vast maar één plein Djemaa-el-Fna zijn waar we telkens terug strandden. Toch hadden we eindelijk de huidenlooiers gevonden en het textiel en de sierraden en de mandenvlechters en... de tapijtenhandelaars. Dat was de juiste weg naar de Medersa Ben Youssef, niet alleen de mooiste maar ook de grootste koranschool uit de Maghreb, die een capaciteit van 900 studenten op 1720 m2 had. Ondertussen waren ook de andere Baobabbers hier geland en bezochten we de twee verdiepingen indrukwekkende cellen. Met de bouw gaf Moulay Abdellah uitdrukking aan zijn verlangen om Marrakech het prestige van islamitische hoofdstad terug te geven. Op de kapitelen staan kaligrafieën met lofuitingen te lezen met verzen uit de Koran. We worden weggeleid door een jongen die ons belooft de wol- en linnenververs te laten zien. Hij houdt een stevig tempo aan en zeult ons een kwartier mee door de soeks tot op een piepklein binnenpleintje. Dat was het, zo maakte hij ons wijs, toen we enkele gekleurde vaten zagen staan in de zwartgeblakerde schuurtjes en geverfde katoenen sjaals in boven de straten zagen hangen; iedere straat had zijn eigen kleur van indigoblauw tot heloranje. Degene die met chemische middelen worden behandeld geven af, terwijl die met natuurlijke producten niet. Mannen stonden voorovergebogen met hun ganse lichaam in de tonnen te roeren, met hun gezicht dat nauwelijks afstak tegen de donkere achtergrond. Het opdringerige gedrag begint ons eigenlijk te vervelen en we willen met 5 DH van het knaapje verlost zijn. Het zint hem niet, omdat hij zelf minstens het vierdubbele verwacht had en 10 DH erbovenop voor zijn vader. Jammer, maar wij hadden er echter ook meer van verwacht, toen we verderop nog een enkele rode wolstreng aan een deurknop zien drogen! 

 

We hadden hier eigenlijk niets meer te zoeken en liepen naar de uitgang, want onze koffers zaten nu al afgeladen vol met souvenirs. Op het heetste van de dag zoekt men beter wat beschutting in een airco-gekoelde kamer...

 

 

 

Marrakech - Essaouira...

 

Dag 19. Om 7u30 was iedereen al paraat op het dakterras voor het laatste ontbijt in hotel Islana. Mustapha had twee dagen verlof gehad, maar vanmorgen kwam hij ons opnieuw aan het hotel ophalen met een verse lach. We zouden om 9u00 vertrekken, maar we wilden hier vlug weg uit de stad en tien minuten voor tijd zaten we met zijn allen op de bus en de bagage onderin. 't Was nog vroeg, maar toch was het al druk in de boulevards rond het centrum. De chauffeur kende hier echter goed de weg en in een mum van tijd rijden we de 'roze stad' uit langs de Bab Jedid en het Menera park. Langs het congrescentrum en het stadstheater draaiden we definitief in de richting van Essaouira. De buitenwijken stonden vol met sinaasappelvelden en roze apparte-menten, en het was in één van die blokken dat Mustapha een straatje aanwees. Daar zou hij ergens wonen, maar als we hem een adres vroegen, vertelde hij drie keer een ander verhaal en raakte je er eigenlijk niet aan uit waar, wat, hoe en met wie. Eén ding stond (bijna) vast: hij had een drietal kinderen... of waren het er toch vier... inshallah?

 

De streek rond Marrakech zou prachtig zijn met het decor van de Hoge atlas op de achtergrond, maar de hoogste toppen verrezen in de mist slechts heel zwak in aan de horizon. De zon begon echter alweer hevig te branden en zou vast tegen het einde van de dag een open hemel brengen... dat hoopten we althans. Langs de kanten van de weg lagen brede stroken zanderige grond met olijfboomgaarden, waarvan enkele domeinen met lemen muren of met riet afgezet waren. Enkele schapen stonden er sporadisch op de vlakte in het droge te grazen, het waren ons bekende taferelen na een tocht van negentien dagen al! Maar toch leek er hier meer landbouw dan elders, dat mannen zelfs langs de weg trossen druiven in rieten mandjes konden verkopen, terwijl de sterk gesluierde vrouwen ergens in de berm aan de kant van de weg zaten. De meeste goederen werden er op de fiets versjouwd. En er waren hier nog toeristen... 't was al een tijdje geleden maar op de kaarsrechte weg vlak voor ons was de Belgische karavaan opnieuw, dit keer met het nummer 10. Het was een drukke weg, maar één van de snelste die we de laatste weken gekend hebben, als een zwarte geknikte rechte die een streep door het bruine vlakke land trekt. Alvorens opnieuw de eindeloze golvende rotsvlaktes in te rijden, passeerden we nog enkele kleinere gehuchtjes zoals Chichaoua en Taftachte, die met  hun betonnen huizenblokken en elk hun eigen moskee aan de horizon uitsteken. Groepen kinderen trekken er in rij naar school en gesluierde vrouwen steken zich aan de kant van de weg achter een boom, terwijl de mannen wat verderop gezellig tegen het smeedijzeren hek wat druk staan te doen. Nadien slaan ze hun goederen op de ezels en kunnen ze weer enkele meters verder.

 

Tegen de middag hadden we de kans om een wijndomein 'Le Val d'Argan' te bezoeken die net buiten Ounara gelegen was. Kennelijk zou het klimaat en de klei-kalk grond hier ideaal zijn en een Fransman uit de streek van Châteauneuf du Pâpe had hier sinds 1994 enkele gronden gekocht om druiven te verbouwen. In 1998 had men hier de eerste opbrengst. Aan de verzorging van de wijnranken was echter nog wat werk... maar blijkbaar ook aan de smaak van de wijn: we kregen er een korte rondleiding (in beeld, met weinig klank) in de koel-ruimte en de verschillende oogstjaren die nog in grote vaten lagen te gisten. De witte en rode wijnen 'El Mogador' (de oude Portugese benaming van Essaouira) konden we nadien proeven, en opnieuw doorspoelen met een stukje brood die in Argania olie gedrenkt was... dat was al stukken beter (en duurder) met zijn zoete notensmaak. De streek stond dan ook vol met Argania-bomen (Marokko is het enige land waar men deze ziet), waarvan volgens de legende de noten opgegeten worden door schapen en de olie uit de uitwerpselen geperst wordt. In praktijk echter klimmen de geiten wel langs de twijgjes tot in de hoogste kruinen en eten ze de bladeren op, maar perst men het sap uit de kern van de vruchten zelf, waarvan het binnenste van de pit geroosterd wordt en tot een pasta geplet wordt. Het is dus ingewikkelder dan de productie van olijfolie, maar enkele sjacheraars weten beide soorten toch te mengen.    

 

Het laatste stukje naar Essaouira leek een verademing na de 40°C van de afgelopen dagen: koelte van de zeebries en een dicht bebost landschap... 't was eens wat anders! In de vroege namiddag kwamen we aan in het vissersplaatsje, dat we reeds vanop de weg in de diepte zagen liggen. De stad leek de laatste jaren ferm te zijn uitgebreid met hoogbouw, maar het oorspronkelijke oude centrum tegen de kust was nog bewaard gebleven. Met de bus mochten we er zelfs niet in, maar bij onze aankomst aan de stadspoort stonden enkele bagage-dragers klaar met hun karretjes om alle koffers naar het hotel 'Sahara' te brengen langs de esplanade die je via de poort binnenkwam met palmbomen en een unieke klokkentoren. Met zijn versterkte stadsmuren, het haventje met de vissersboten en de af- en aanvliegende meeuwen doet Essaouira eerder denken aan een Noordzeestrand, maar de witte huizen met platte daken, de blauwe raam- en deurlijsten en de minaretten laten er geen twijfel over bestaan: dat was weldegelijk Marokko, waar het drukke Marrakech veraf lijkt! Oude tradities van een welkomstdrankje werden in het hotel wel genegeerd en gelukkig vonden we er meteen de powerknop om de loeiharde TV in het salonnetje af te zetten toen we er in de klamme zetels zaten te wachten op de sleutels. Alle kamers gaven uit op een centrale binnenplaats, waarlangs de lakens hingen te drogen en zo te horen was de wasmachine heen en weer aan het dansen in de naastliggende ruimte. Maar dit geluid werd nogmaals overstemt door de gnaoua-reggae in de patio van het hotel. De Gnaoua's waren afstammelingen van Soedanese negerslaven die een belangrijk deel van de stad bevolken. Kan dat hier wat stiller, of vluchten we zelf beter naar buiten... maar dan zitten we toch ook maar in de mist?

    

 

 

Essaouira...

 

Dag 20. Vandaag hadden we de ganse dag vrij om het Portugese vissersplaatsje te ontdekken, en begonnen we de dag dus met lekker uitslapen. In de centrale patio van het hotel kregen we een ontbijt met pannenkoekjes, jus en stokbrood met een reggae-achtige muziek op de achtergrond. Enkel Tine was ons al voor geweest en was al naar het strand vertrokken. Anderen hadden plannen voor paardrijden, terwijl ikzelf liever met Yolande te voet de stad ging verkennen.

 

Het plaatsje werd door de Romeinen al ontdekt omwille van de zoutwinning en het vervaardigen van purperen kleurstoffen, al zijn er aanwijzingen dat de Feniciërs hier twaalf eeuwen v.C. al woonden. Op de Purper-eilanden voor de kust (en meestal in de mist, en echter niet te bezoeken om ecologische redenen) werd de kostbare kleurstof uit de purperslakken gewonnen en gebruikt voor het verven van linnen. Paars duidde in de oudheid immers op een verheven sociale status. In 1500 richtten de Portugezen hier een vissersplaats op, El Mogador, al verbleven ze hier maar een 40-tal jaar. In de huidige vorm werd Essaouira pas in 1765 door de Alaouïtische sultan Sidi Mohammed aangelegd, die de Franse architect Cornut de opdracht gaf om de stad te ontwerpen. Het is een van de weinige steden die vóór de bouw volledig was gepland, en vandaar dat de Medina een naar oosterse normen ongebruikelijk rechthoekig stratenplan heeft met een massa kubusvormige huizenblokken. De naam Es Saouira duidt trouwens op een 'goed ontworpen' stad. Dit was hier lange tijd de enige Marokkaanse haven voor buitenlandse handel en trok daardoor veel joodse handelaren aan, wat het ontstaan van de 'mellah' verklaart. De stad had echter nadeel van de geringe diepgang van zijn haven, waardoor de steeds grotere schepen niet meer aanmeerden en de haven zich ontwikkelde tot belangrijke vissershaven... en dat zullen we proeven!

 

We begonnen onze wandeling dan ook nabij de idyllische vissershaven. Gisteren had Fieke ons al in één van de geïmproviseerde openluchtrestaurantjes langs de kade meegenomen, zo lekker zelfs dat we dat vandaag wilden overdoen. De uitgestalde vis kon je zo uitkiezen en nadien werd die gegrild op een vuurtje achter de tent, de houtskoolrook kwam je zo tegemoet: garnalen, baars, dorade, calamares, slibtongetjes, haai en verse sardines... mmm! We werden prompt bij het eerste tentje aangehouden en met de nodige show mochten we aan de tafels aanschuiven. Er werd een speciale prijs gemaakt voor een mix van vissoorten met een sterk gezouten tomatenslaatje en brood. Ook bij de volgende kraampjes bood men garnalen à volonté aan als lokkertje, maar pech... we hadden al heerlijk gegeten! De haven lag in het verlengde van de kade en liep je zo binnen langs de Porte de la Marine met daarboven het Sqala du Port met een artillerie-platform en wachttorens met Portugese, Spaanse en zelfs Vlaamse blazoenen... alsof dit niet lijkt op de Torre de Belém in Lissabon! Orson Welles draaide hier zijn film Othello. Vlakbij zagen we hoe de vis werd schoongemaakt (aan de linkerkant van de weg) en hoe die geveild werd (aan de rechterkant van de weg)... al snapten we er niet veel van. Zelfs grote haaien werden aangevoerd. De kades in de haven waren echte scheepswerven, waar je nog ziet hoe houten boten getimmerd worden, een zeldzaamheid. Oudere vissers zaten er hun netten te knopen en de verse visvangst werd afgeladen, terwijl gesluierde vrouwen met een emmertje ongeduldig aan land zaten te wachten in de hoop om zelf een visje te kunnen meepikken. Wat verderop werd de visgeur echter overtroffen door een stinkende diesel van baggerschepen en werd het zicht belemmerd door zwarte rook... 't leek precies wel nodig om wat van die vieze smurrie boven te halen. Op het einde van de kaaimuur zou een mooie uitkijkpost over de stad zijn, maar die baadde ondertussen al volledig in de mist. Als je hier op stap gaat, is een trui bij de hand wel aan te raden. 

 

Op het centrale plein, de Place Moulay-el-Hassan, was de geur al wat draaglijker en was het heerlijk genieten op een terrasje met een kopje muntthee of een vers geperst sinaasappelsap. Eindelijk was dit eens een plaatsje in Marokko waar je op het gemak kon zitten in de aangepaste 'blauwe' zeteltjes. Het smalle zijstraatje, geklemd tussen de stadsmuren en de wit-blauwe huizen, hadden we na wat aarzelen toch ingelopen tot bij de Sqala du Kasbah. Hier lagen de vroegere munitiedepots en de ateliers van de ambachtslieden en we liepen de helling op tot bij de verdedigingswal met muren, torens en bastions. We zagen er een mooie verzameling bronzen kanonnen die op houten sokkels naar de zee gericht staan, met een weids uitzicht over de rotskust, het oude stadsdeel (medina) en enkele moedige vissers die naar beneden klauterden. De zee kon hier soms zo wild tegen de muren bonken, dat enige versterking misschien wel nodig was.

 

In de Medina binnen de stadsmuren was het ideaal winkelen langs de gezellig wirwar van pleinen en steegjes met hun hoge witte huizen, al zaten aan de kant en onder de poorten vele daklozen en gehandicapten te bedelen. Het einde van de reis was echter in zicht, en de laatste souvenirs moesten ingeslagen worden. Essaouira was ook een kunststad waar vele aquarellen in fel oranje, rood, bruin en blauw werden gemaakt en te bezichtigen waren in de verschillende kunstgalerijen. Van tapijten hadden we er al genoeg gezien, maar de stad is ook bekend om haar unieke houtsnijwerk en inlegwerk van thujawortelhout, waarin motieven worden geslagen met zilverdraad of zacht citroenhout. Als het gepolijst wordt met olijfolie krijgt het hout een glanzend uitzicht en een heerlijke geur. We konden er uren vullen met alle winkeltjes af te lopen, te kijken en te vergelijken, maar kiezen bleef moeilijk... kistjes, tafelbladen, potjes, brievenhouders of geometrische figu-ren, in geval van nood konden grote stukken wel verscheept worden. Dat waren de 'houtsupermarkten', al was het gezelliger bij de ambachtslui zelf binnen te stappen. Eén voordeel: alles was hier wat meer Westers getint, zodat afdingen er niet meer bij hoorde. Er stond hier een 'vaste' prijs op het etiketje, al kon je onverwachts toch nog wel 20% korting krijgen. Er waren ook goedkope CD-kopieën van de 'Marokkaanse Bob Marley' te vinden die mochten uitgevoerd worden, al deed dit ons spontaan terug aan de busrit denken...

 

Helemaal noordwaarts in de stad kwamen we bij de mellah, de Joodse wijk, tot bij de Bab Doukkala aan de andere kant van het centrum. Het was hier wat rustiger na de drukte in de Medina, niet gelet op de gegidste groep toeristen. Heel wat steegjes liggen hier overwelfd en vele van de houten deuren waren versierd, en zeker die van de hammam. De oude wijk oogt wat desolaat en er wonen dan ook maar enkele Joodse gezinnen meer, de rest is ingenomen door zeer arme Marokkanen en andere neergestreken sukkelaars. Hier lopen de lokale vrouwen nog in hun witte haik gesluierd van kop tot teen. Langs de hoofdstraat kwamen we uit op de soeks met opnieuw dezelfde taferelen. Af en toe moesten we toch een oog dichtknijpen of een hoekje om lopen voor de schapenkoppen en -poten die er over de weg rolden. Via de centrale weg met de arcadenbogen (jaja, de rue Mohammed...) waar vis, kruiden, plastic en juwelen verkocht werden,  liepen we opnieuw richting hotel. Nu moesten we maar alle souvenirs in de koffer zien te krijgen.

 

De rest van de dag brachten we door aan het strand, dat er (voor zover je door de mist kon kijken) wel proper bij lag. Je kon er ook nog een kamelentocht maken, maar we wisten van beter en gingen er een eindje lopen tot we Tine in het zand zagen liggen en ook wat in de zon gingen zitten. De eilanden voor de kust waren nog steeds niet in zicht, en ook weinig surfers waarvoor het strand nochtans bekend stond. In ons hotel logeerde nochtans een ganse groep Franse surfers die hier met hun trainer op stage waren. Wel andere Baobabbers kwamen hier nog langs, toen de zon onverwachts goed begon door te breken en de wolken als het ware rondom de stad gesluierd waren...

 

Gisterenavond zaten we met Maud en Diana bij een Italiaans restaurant (ha, 't wordt hier nog echt Mediterraan) voor een heerlijke pizza en zelfs in de medina werd er 'in den duik' wijn verkocht in stenen potten. Het was hier knus ingericht als een woonkamer en we bleven er maar tafelen tot Albert, Berdjan en de Liesbeths passeerden en onze tafel reserveerden. Vanavond gingen we eens chic eten. Het was inmiddels kil geworden en de straten waren donker en leeg, op enkele zwarte zwerfkatten en meeuwen na. We stapten er een restaurant binnen waar een gezellig zaaltje voor ons gereserveerd stond, neen... toch liever geen aperitief op het dakterras. Op het CD'tje klonk alvast een vrolijk Ob-la-di Ob-la-da naar een vrije interpretatie van het plaatselijke kinderkoor. We kozen er een menuutje met garnalensalades, tomaten met mozarella, gerookte zalm of een warm geitenkaasje en aten er als hoofdgerecht veruit alle vis op. Toen we als hoofdgerecht met z'n allen een Filet de Riscasse in een romig garnalensausje hadden bestelden, verdween het gerecht prompt van het menubord en nadien kon er nog een crêpke à l'orange bij. We werden moe... het was waarschijnlijk 'de zeelucht die trekt', of zou het toch aan de drie flessen Mogador-wijn liggen? We rekenden snel af (de 10% fooi moesten we hier nog altijd betalen) en liepen terug naar het hotel, waar de CD met reggae-muziek gelukkig teneinde was.

 

 

 

Essaouira - Casablanca...


Dag 21.
Vandaag rijden we het laatste stukje met de bus, toch nog zo'n 350 km. Om 7u30 wachten de bagagekarretjes ons op en staat Mustapha ons al van ver onder de poort toe te zwaaien. Lebès? Eindelijk was het eens helder weer en zagen we bij het buitenrijden de eilanden voor de kust. Wat verderop stond er opnieuw politiecontrole bij een wegversperring, maar toeristen waren hier blijkbaar nodig en steeds welkom. We moesten terugkeren tot in Ounara en sloegen daar definitief af in noordelijke richting naar Casa, via Talmest en Safi. Marokko was eindelijk van kleur veranderd en de eindloze steenmassa's met enkele verdroogde boomtakken was teruggebracht tot een landschap van groene cederbossen, toch echt wel luxe en het deed denken aan het Middenlandse Zeeklimaat. Af en toe moesten we toch eens afremmen voor enkele plattelandsnederzettingen waar op vrijdag (... best dat de witte vlaggen aan de moskee ons eraan herinnerden, want we waren tijd en dag al lang vergeten) steevast een markt plaatsvond. Boeren uit de omstreken kwamen hier groenten verhandelen in de losse tentjes en stalletjes, terwijl hun ezels aan de rand van de weg geparkeerd stonden met een touw rond de poten. Anderen kwamen met ganse karren aangereden naar het dorp. Van zodra we echter opnieuw enkele uurtjes in het binnenland zaten, werden de velden onvermijdelijk opnieuw droger, maar naast de kuddes schapen zagen we ook eens wat runderen staan, of was het omdat ik er toevallig op lette? Op dit vroege uur was het nog stil in de bus en lagen we met z'n dertienen veruit allen te slapen of te lezen, totdat we in Leghiat stopten voor een koffietje. Ook hier was het marktdag en ontzettend druk, terwijl het stonk naar ezels en diesel. Aan het einde van het dorp stopten we op een open grintpleintje, waar de tajines al op houtskoolvuurtjes stonden te pruttelen voor deze middag. Ze waren echter nog niet voor ons. De levende kippen werden op het dak van een openstaande vrachtwagen gebonden en zo weggevoerd. Wij stapten opnieuw in de verluchte bus.    

 

Het vlakke landschap tussen Safi en El Jadid was het achterland van de kuststrook en wordt Doukkala genoemd, waar graan wordt verbouwd en dat door Arabische stammen werd bewoond. Op vele akkers lag de aarde pas bewerkt, klaar voor de beplanting. En men had hier keurig werk gemaakt van de watervoorziening met kanaaltjes (waardoor écht water stroomt) en zelfs watertorens. De verschillende percelen waren met rijen cactus afgesloten, waarvan de opbrengst (al dan niet stofferig door de wind van voorbijrazende vrachtwagens) in een emmertje langs de kant van de weg werd verkocht. Jammer dat alles zo slordig oogde met de zwarte plasticzakjes die als vallende meeuwen in het gras waren neergestreken. Op enkele zachte heuvelruggen lagen vervallen begraafplaatsen die volledig uitge-droogd en overgroeid waren, als ze maar naar Mekka wezen...

 

Tegen de middag reden we El Jadida binnen. We zaten hier opnieuw aan de kust in een oorspronkelijk Portugese nederzetting, dat nu is uitgegroeid tot het vakantiecentrum bij uitstek voor de Marokkanen uit Casablanca. De haven kon immers niet concurreren met Casablanca, Safi en Essaouirra. Het is er druk in het nieuwe stadsdeel als net op het middaguur de school uitgaat en alle leerlingen al gek de straat oprennen. Ja, want op vrijdagnamiddag hadden ze vrij; dat was heilig! We worden er afgezet aan de stadspoort van de oude Joodse wijk en stappen het eerste beste (Franse) bistrootje binnen om de lunch te bestellen. De sfeer leek opnieuw herkenbaar met zijn hoge huizen en balkons, maar we hadden nog een uurtje vrij om wat verderop de Portugese waterreservoirs (1541) te  bezoeken. Na het betalen van 10 DH entree neemt de gids het stokje ter hand en maant ons aan om aandachtig de maquette te bekijken. Daarna opent hij de deur en neemt ons mee in de kelders van het voormalige bastion, waar we eerst een flinke brok geschiedenisles krijgen terwijl hij voor de duidelijkheid alle belangrijke jaartallen met de vinger in de lucht, op de muren en op de vloer schrijft. Zijn verhaal gaat ergens over een oude burcht met vier torens, met daaronder een wapendepot dat later diende voor het opvangen van regenwater dat via leidingen van de daken werd afgevoerd... interessant, zo te horen! Hij wijst ons precies waar we moeten lopen en waar we foto's moéten nemen (normaal mag dit niet want enkel toegelaten voor "amateurfotografen", maar dat had hij al snel door). De weerspiegeling van het kruisribgewelf met zijn 25 zuilen loonde wel de moeite. Met een ijdele blik om fooi liet hij ons terug buiten. Merci Monsieur, on n'a plus de temps! On va manger une omelette au crevettes ici à côté...

 

De namiddagrit naar Casablanca reed zacht, maar duurde eindeloos en zag er saai uit langs de spiegelgladde velden, waar bewoners leefden van visvangst, tomaten en citrusvruchten. Eén enkele wegomlegging rondom Azemmour (traditioneel aangeduid met een hoop steentjes op de baan) voor een nieuwe asfaltlaag was de enige beweging die hier te bespeuren viel... totdat we de voorsteden van Casa naderden. Het werden zesvaksbanen (hadden we in Marokko nog niet gezien tot nog toe) tot we in het centrum bij ons hotel 'Guynemer' aankwamen. We kregen een kaartje in handen en probeerden uit te zoeken waar we ergens zaten in die wirwar van boulevards en rues.

 

 

 

Casablanca...

 

Het verdelen van de kamers ging vlugger dan ooit tevoren, want we kregen nu al geen thee meer voorgeschoteld... (dat was vast om te beginnen afkikken!), zodat we om 16u30 nog de tijd hadden om even de stad in te wandelen. Het hotel lag midden in de moderne Franse wijk en dus vlakbij het beroemdste plein uit Casablanca, de place Mohammed V dat vroeger de place des Unions heette (al wist men eigenlijk nog steeds maar half hoe dit hier officieel heette). Het justitiepaleis, de prefecture, het postkantoor en een fontein met duiven en palmbomen waar mensen graag wandelden, lagen er als enkele goede referentiepunten voor als men hier de weg kwijt raakte. Dat was het bestuurlijke centrum van de stad in monumentale Franse bouwkunst en strakke Moorse soberheid, al leek de prefecture meer op een Toscaanse campanille. Met z'n tweeën liepen we nog wat verder tot bij de vroegere Sacre-Coeur die nu volledig opgesloten stond. Het andere grote plein in de stad (dat nu de place Unions heette maar eigenlijk meer aan dat andere plein deed denken) vormde de ingang tot de medina. Het was er druk: alle boulevards waren volgepropt met toeterende auto's en taxi's ertussen, de voetpaden liepen afgeladen vol. De brede lanen waren omzoomd met smaakloze hoog in de lucht rijzende witte gevels, die hier wat opdringerig waren neergezet. Eénieder het meest majestueus in een mengelmoes van zuilen, zellij-mozaïeken, golvende friezen, arcaden en balkons... net verminkte Art-Deco. Het was ook aan de bevolking te zien dat dit een nieuwe stad was, waar men met de oude tradities minder rekening hield, de kledij losser was, de moskee verderaf stond en de hoofdsluiers afgelegd waren. Was dit eigenlijk nog Marokko? Het was een futuristische aanblik na drie weken Marokko.

 

Onder een gewelf door liepen we de oude medina binnen met de soeks... we zagen er bekende taferelen in leder, hout, keramiek met handtassen, schoenen, sandalen, slippers en zoveel meer onbenullige elektronika. Eigenlijk hadden we al alle souvenirs op zak en hadden we hadden er voor de laatste keer niet zoveel zin meer in. We liepen maar terug naar het hotel, waar Mustapha ondertussen nogmaals de bus aan het schoonmaken was. 's Avonds moest hij er toch van uitrusten en nam er een zeteltje bij om wat met de omstaanders de tijd te passeren. Wij gingen met zijn allen voor het laatste avondmaal naar de bovenverdieping van het restaurant 'Fleur' en zouden nog eens de Marokkaanse keuken proeven uit een hele resem van gerechten die de ober uit het hoofd geleerd had, ons opsomde en met tegenzin nogmaals herhaalde. Een lekkere keuze was de salade maroccaine en een tajine d'agneau au citron et olives en een amandelgebakje als afsluiter. Traditioneel werden leuke herinneringen opgehaald: waar was die tijd gebleven toen we elkaar zoekend op Schiphol aankeken en ondertussen drie weken met elkaar doorgebracht hadden... Vooral Fieke had ons veel laten zien en genieten, dat verdiende een applausje.

 

 

 

Casablanca - Amsterdam en nog verder...

 

Dag 22. We stonden om 7u00 paraat voor het ontbijt in het salon van het hotel, zodat we nog ruim de tijd hadden om te genieten van het Franse ontbijt met stokbrood en confituur op de wiebelende koperen dienbladen. Vanmorgen brachten we nog een bezoek aan het enige bouwwerk dat hier wat kunstmatig als toeristenlokker was neergezet, maar wat voor één: de Hassan-II-moskee! Net voor het hotel hielden we een petit taxi aan, en de eerste twee weigerden we prompt omdat hun prijs veel te duur was. Uiteindelijk moesten we toch in de derde auto springen (al was zijn prijs dezelfde als alle vorige), want het moest eigenlijk wat beginnen opschieten.

 

Om 9u00 vertrok immers een geleid bezoek aan de moskee. We kwamen nog ruim op tijd aan op het toegangsplein tot de moskee, een reusachtige verschijning aan de rand van de zee, en maar geluk... want het duurde toch een tijdje vooraleer we elkaar hier terug vonden. De taxihchauffeurs hadden niets beter gevonden dan een groepje af te zetten aan de zijingang van de moskee en een ander groepje af ter zetten aan de hoofdingang. Het was het tweede grootste religieuze bouwwerk ter wereld, na de moskee van Mekka, maar toch uniek omdat hij voor ons toegankelijk was. Het heiligdom werd in 1993 geopend voor de zeventigste verjaardag van koning Hassan II. Het complex beslaat 9 ha, de minaret is 200 m hoog en volledig met sierstucwerk, zellij-werk, bezet. Er werkten 35000 ambachtslieden aan dit monument, en de ganse Marokkaanse bevolking had meebetaald voor de grillen van de Koning. Twee laserstralen met een bereik van 30 km wezen in de richting van Mekka. Aan de buitenkant stonden een sierlijke met mozaiek bezette fontein, die echter nauwelijks opviel tegen de reusachtige marmeren poorten tot het heiligdom. Op ons bezoek kozen we een Engelstalige gids en we werden hierdoor vergezeld van een groep Amerikanen (met een lichtzinnig gevoel voor humor...). Bij het binnentreden kregen we elk een sticker opgeplakt en een plasticzakje in de handen geduwd, want de schoenen moesten uitgetrokken worden. Onmiddellijk kwamen we in de reusachtige gebedshal. Deze bood plaats aan 25.000 mannelijke gelovigen, terwijl er op de bovenverdieping nog plaats was voor 5.000 vrouwen. Centraal werd de allée waarlangs de koning passeerde steeds afgesloten. 't Blonk overal naar glimmend goud en marmer, terwijl er op het plafond cederhouten motieven waren uitgesneden. Het centrale deel van het dak kon zich automatisch in een drietal minuten openen en sloot opnieuw in twee minuten. De richting van Mekka stond aangegeven met de minbar (preekstoel) waar de immam plaatsnam en enkele zuilen waarop koranverzen in goud geschreven stonden. Er was ook plaats voorzien voor een Islam-leraar die wat uitleg kon geven over het geloof. Aan de andere kant gaf de zaal uit op de Atlantische oceaan. En nu hadden we vier minuten tijd om vrij rond te lopen, terwijl Berdjan steevast met de voeten naar Mekka ging knielen voor enkele foto's. It was nice to meet you from Holland, toen we Liesbeth als de reisleidster van onze Baobab-groep voorstelden. In de benedenzalen waren de plaatsen voor de rituele wassing en werden er een nieuwe hammam en Turkse baden ingericht. De muren werden er speciaal behandeld tegen al het vocht met 'limestone' en 'clay', and for you from Holland... dat bestond uit kalksteen, klei, eigeel en speksteen. De luxe stak wat de ogen uit, zeker als je bedenkt dat arme Marokkaanse families dit onrechtstreeks mee-gefinancieerd hadden en nooit deze moskee binnenkwamen.

 

Op de terugrit probeerden we duidelijk te maken dat we aan hotel Guynemer moesten zijn, maar de taxichauffeur kende die plaats niet. We lieten hem dan maar wat rijden en het kwam ons bekend voor dat we opnieuw het gerechtshof passeerden, dus lieten we hem hier maar stoppen. De anderen waren ondertussen voor de deur van het hotel afgezet, zodat we op het gemak om 11u00 uit de stad konden vertrekken. Maar nu het nog wat uitgebreid kon, moesten we eerst nog Mustapha danken voor de prettige reis die hij ons bezorgd had. We bedachten hem met een fooi en Mustapha, Mustapha, Mustapha... ja, we kenden nog de melodie van de Dadès! Hij had nog één opdracht te vervullen: ons in 1 uur naar het vliegveld rijden.

 

Jallah! Met open armen moesten we er elkaar uitzwaaien en doken we de vertrekhal binnen. We hoeven er niet in de rij te staan en mogen onmiddellijk inchecken bij de Lufthansa-balie, al moest er een of ander uitvoerbewijs ingevuld worden. Dat schiet vrij snel op en we lopen wat (te snel) door de douane. Oeioei, wat moeten we hier nu nog met al die overtollige dirhams? We klampen nog een snoepventer aan, en die wil ons een handvol Euro's geven voor de 700 DH die we nog niet gewisseld hadden. Enfin, beter enkele Euro's in de hand dan wat waardeloze dirhams in de portefeuille. Om 14u00 plaatselijke tijd stijgen we op naar Frankfurt en reizen daarna door tot in Amsterdam. Aan boord krijgen we nog een sandwich (moet er nog mayonaise zijn?) en het gezelschap van een dronken man, die toch een oogje op Diana houdt. Maar eigenlijk willen we het liefst niet meer gestoord worden en een oogje dichtknijpen. Bij aankomst op Schiphol was zelfs onze bagage meegereisd en konden we afscheid van elkaar nemen. Ook Fieke was meegereisd, want voor haar was het de laatste Marokko-reis geweest, terwijl we eigenlijk al trek hadden in een glaasje muntthee.

 

 

Epiloog.

 

Met z'n dertienen stonden we er op Schiphol, allen benieuwd naar de groep, benieuwd naar het avontuur. Zelfs onze reisleidster Fieke liep hier verscholen, benieuwd om ons Marokko te laten zien, al is het vooral een plaats die je moet horen (het geklingel in de medina, de moëdzzin op de moskee), ruiken (de verse muntblaadjes, de torens 45-kruiden en de slagerssoeks) en voelen (het geschok op de kameel en de afzetterij of opluchting nadat je een tapijtenshow hebt meegemaakt). De verscheidenheid aan Arabische, Afrikaanse en Franse zijn enerzijds een rijkdom waarvan je op ieder moment kan genieten, maar bij het passeren van de eindeloze stenen grintmassa's val je liever in slaap totdat je weer gewekt wordt voor de volgende oase. Het leven binnen de muren van de indrukwekkende koningssteden is te bewonderen en in alle veiligheid te doorgronden, al blijft het moeilijk om het reilen en zeilen van de islam te begrijpen. Het blijft een afstandelijke gebeurtenis, met onverstaanbare symbolen en tekens. Gelukkig wist Mustapha ons met een brede glimlach de meest courante omgangstaal (bismillah!) bij te brengen. En daarna ver weg van alle drukte ontwaken in het zand door de warme stralen van de rijzende zon... 't was goe geweest! 

 

 

 

Het gaat jullie goed... Inshallah!.

 

 

Pieter Samyn

Roeselare, 15 november 2003.

 

Pieter.Samyn@UGent.be